Verloren op de oceaan

Door Sandy Feather-Barker

Niets zou die zwoele, winderige dag kunnen bederven. Tenminste dat dacht ik. Om tien uur ‘s-ochtends waren mijn man, Joe, en ik van huis vertrokken. Achter onze kampeerwagen zwabberde onze 5 meter lange zeilboot. Wij waren op weg naar de kust en het zou geweldig worden. Weg van de dagelijkse sleur. Weg van de problemen.

Joe had het ook hard nodig. Hij studeerde af als architect en het waren vermoeiende dagen.

“Stel je voor. De hele dag lekker zeilen,” zei ik opgeruimd. Onze hond Gringo met zijn grappige nootmuskaatkleur zwaaide verheugd met zijn staart, terwijl Joe een wijsje floot. Nee, deze dag kon niet kapot.

Het enige dat alles nog een beetje overschaduwde was het probleem waar we al een aantal weken mee worstelden. Joe zou volgende maand afstuderen en tot dan was alles geregeld. Maar daarna? Dat was een groot vraagteken. Waar zouden we naar toegaan? Wat voor baan moesten we allebei zoeken? Zouden we wel kunnen wennen? Ik had me er zoveel zorgen over gemaakt dat ik er soms niet van kon slapen. Maar nu konden we er toch even tussen uit. Nu scheen de zon en gingen we zeilen en konden de zorgen wel even wachten.

Toen we bij de kust aankwamen stond de zon loodrecht boven ons. Toen ik uit de auto stapte blies de wind net hard over het parkeerterrein. Ik keek geboeid naar de schuimkoppen op de woelige zee. Ver weg, als kleine stipjes, lagen een paar kleine groene eilandjes maar daarachter was er niets dan de grote, wijde zee die nergens meer op leek te houden. Er knaagde iets bij me van binnen. Een soort onheilspellend gevoel. Ach, wat een onzin. Vandaag mocht ik me geen zorgen maken.

Joe gooide nog een fles mineraalwater in de boot en we gespten onze oranje reddingsvesten aan. Daar ging de boot te water. “Kom Gringo,” riep ik uit naar onze hond die opgewonden en kwispelend aan de waterkant stond. En al snel zeilden we weg uit de kust. Ik hing half uit de boot om die beter te balanceren en voelde de frisse zeewind op mijn gezicht. Dit was fantastisch.

Maar wat was dat? Opeens voeren we hard en genadeloos tegen een zandbank. Ik hoorde hoe de onderkant van de boot hard over het zand schuurde. Dat was beslist de bedoeling niet. Zou het midzwaard niet kapot gaan? Als dat stuk zou gaan zouden we de controle over de boot verliezen.

“Ik zal ons er af duwen”, schreeuwde Joe terwijl hij wild met een roeispaan in het water stond te poken. En inderdaad, opeens schoten we los en waren wij los in het diepe. Maar het voelde niet goed. De boot slingerde vervaarlijk door het blauwgroene water net als bij een auto waarvan de bestuurder in slaap is gevallen. Het midzwaard was gebroken en de wind en de stroming voerden ons snel naar de open zee. Nog één eilandje scheidde ons van de open zee en ik keek wanhopig naar de kust die alsmaar kleiner en kleiner werd.

“Joe… we drijven langs het laatste eilandje!” Ik schreeuwde het uit.

“Geen paniek… Geen paniek. Het komt wel goed!” bromde Joe. Wat een optimist.

Rond het laatste eilandje was de wind nog sterker. De golven klotsten vervaarlijk tegen de boot terwijl we heen en weer werden geslingerd. Ik pakte de bibberende Gringo bij zijn halsband en begon te bidden. “Lieve Heer… Ik denk dat wij Uw hulp heel hard nodig hebben!” Maar de harde wind snoerde me de mond.

Joe greep in een wanhopige poging naar het anker en gooide het overboord.

“Nee!” schreeuwde ik toen ik tot mijn ontzetting zag dat het touw van het anker losschoot uit zijn voegen. Het anker verdween voor altijd in de duistere diepte van de zee.

“Wij moeten direct de zeilen laten zakken” gilde Joe boven de wind uit. “Als wij dat niet doen worden we naar open zee geblazen!” Gespannen en veel te gehaast sjorden we aan de lijnen en omdat wij er niet goed de tijd voor namen brak een van de bevestigingspanelen af en schoot het zeil met een klap naar beneden. Hoe konden we het nu weer omhoog krijgen? Wij keken elkaar verslagen aan. De enige manier waarop wij het zeil weer zouden kunnen hijsen was door het handmatig aan de mast te binden, maar daar was een hele rustige zee voor nodig en dat zat er voorlopig niet in.

Joe bevestigde de roeispanen en begon uit alle macht te roeien, maar het was zinloos. Wij waren niet opgewassen tegen de kracht van de wind. We dobberden als een kurk op de genadeloze zee en waren volledig overgeleverd aan de grillen van het onheilspellende water.

Nadat we enige uren heen en weer waren geslingerd begon de zon langzaam te zakken. Het werd al avond. Uiteindelijk werd de zon een vurige oranje bal en zakte weg achter de horizon en toen waren we helemaal alleen. Het werd nacht. Een totale duisternis op een angstaanjagende, schuimende zee. Kon ik het land nog zien? Nee, er was niets meer te zien en in feite wist ik niet eens meer precies waar het land eigenlijk moest zijn. Wij waren alleen en hopeloos verloren op die eindeloze watermassa.

Zware, zwarte golven beukten tegen de boot. Ik klappertandde. Joe sloeg het zeil om me heen en we drukten ons dicht tegen elkaar aan in de kleine stuurruimte die nog een klein beetje beschutting gaf tegen de voortdurend beukende golven en het ijskoude, zoute water dat over ons heen regende. Op een gegeven moment begon de boot zelfs zo vervaarlijk te schudden dat wij onszelf en de hond met touwen vastbonden zodat wij niet overboord zouden slaan. Mijn hele lichaam deed zeer omdat ik voortdurend heen en weer werd geslagen.

En alsof dat nog niet genoeg was werd ik ook nog zeeziek. De hele lange, koude nacht, terwijl wij ons een weg baanden door de onheilspellende duisternis was ik doodziek. Zou er wel iemand zijn die wist waar we waren? Zou er nog hulp komen?

Eindelijk brak het ochtendgloren door. Eerst een klein streepje aan de horizon, maar al snel werd het lichter en toen ik weer goed om me heen kon kijken werd ik geconfronteerd met het afschuwelijkste gezicht dat ik ooit gezien had. Water, water en nog eens water, opgezweept door de ruige wind. Een eindeloze zee, die zich in alle richtingen uitstrekte, zonder hoop en zonder houvast.

“Joe, waar zijn we in ‘s hemelsnaam?” vroeg ik angstig.

“Ver weg,” zei hij toonloos. Als snel werd het door de zon bloedheet.

“We moeten voorzichtig met ons water omgaan”, zei Joe terwijl hij voorzichtig een paar slokjes nam van de enige fles die we hadden. Gringo likte wat zout water op van de boot. Hoe lang konden we dit uithouden?

Uren kropen voorbij. Ik tuurde overal in de lucht in de hoop dat er een vliegtuig langs zou komen. Maar ik zag zelfs geen zeemeeuwen meer. We waren te ver uit de kust. Onze boot werd een drijvend eilandje van ellende.

Onwillekeurig moest ik denken aan de zorgen die ik gisteren nog had gehad. Onze toekomst en waar we zouden gaan wonen. Wat leken die zorgen opeens onbenullig.

Ik legde mijn hand op Gringo’s kop. Hij keek me vol vertrouwen aan. Terwijl ik in zijn hondenogen staarde gebeurde er opeens iets bijzonders. Iets belangrijks en dieps. Ik zag vertrouwen. Daar was dat vertrouwen dat ik voor hem zou zorgen, zelfs al was alles hopeloos en schijnbaar verloren. En in een ogenblik van verlichting begreep ik wat dat betekende. Waarom zou ik God niet vertrouwen, net zoals Gringo op mij vertrouwde?

Juist op dat moment zei Joe mat en terneergeslagen: “Wij zijn verloren. Als wij dat zeil konden ophijsen konden wij misschien nog wel iets doen, maar met deze wind is dat niet mogelijk.”

Maar in mijn gedachten vormde zich opnieuw dat woord: “Vertrouwen. Heb vertrouwen.”

Aarzelend begon ik te spreken. “Joe, weet je nog in de Bijbel? De discipelen zaten in een storm op het water en…”

Joe keek me vragend aan. “Ga door,” sprak hij.

“Jezus liet de storm ophouden. In dat verhaal werd de zee kalm. Als Hij dat toen deed voor Zijn discipelen, dan kan Hij dat nu toch ook voor ons doen?”

En terwijl de zon genadeloos op ons brandde bogen wij onze hoofden in een eenvoudig gebed. “Heer…Wij willen op U vertrouwen. Maakt U het alstublieft rustig zodat wij het zeil kunnen hijsen. Help ons Heer.” Dat was alles.

Een paar minuten kropen voorbij. Toen nog een paar en opeens kwam het moment dat ik nooit zal vergeten. Ik kon het zelf nauwelijks geloven, maar de wind ging liggen. Het werd kalm en rustig. Er was haast geen golfslag en het was doodstil. Gespannen sprongen we op en lieten we de mast zakken, zodat wij het zeil er handmatig weer aan konden bevestigen. Na verloop van tijd zat het zeil vast en konden we het weer hijsen.

“Nu kan het werken”, zei Joe opgewonden.

Maar er was natuurlijk geen wind. De zeilen hingen slap in de wind. “Heer…We zijn klaar. Laat U alstublieft een wind waaien die ons in de richting van de kust kan blazen. En al snel, alsof de hand van de schepper zelf over het water bewoog, begon het weer te waaien. Wij zeilden weer, terug naar de kust. “Dank U God”, fluisterde ik emotioneel.

De zon zakte weer achter de horizon en de maan kwam op. Omdat de wind achter ons stond was ons gebroken midzwaard nauwelijks van belang. Nee, we zeilden echt naar de kust. Twaalf uur lang klemde Joe het roer in zijn handen. Wij schatten dat we meer dan 100 kilometer uit de kust waren geblazen, maar als de wind zo bleef zouden wij veilig thuiskomen.

Toen de nieuwe dag zich weer aankondigde was Joe volkomen uitgeput. Hij moest even rusten. Hij zakte in de cockpit neer voor een korte slaap en ik ging tegen hem aanliggen en was zelf ook meteen weg…

…Een paar uur later werden we wakker en keken met een schok om ons heen. De wind… De wind was opgehouden. De zee was zo glad als een spiegel. Nog geen golfje klotste tegen de boot. Waar was onze wind gebleven?

“Wat… wat gebeurt er?” vroeg ik bijna panisch. Joe antwoordde niet eens maar schudde verslagen zijn hoofd. Zelfs Gringo was bang en onrustig. Ik kon de angst in mijn hart nauwelijks onderdrukken. Was dit de bekende stilte voor de storm?

O Jezus. U heeft ons zo goed geholpen. Waarom hebt U ons verlaten?

“Vertrouw op Mij,” kwam de rustgevende gedachte weer bij me op. “Vertrouw op Mij en wees niet bang.”

Vertrouwen? Alleen op de zee, zonder wind met een storm op komst? Het water op en onze lichamen uitgeput? Nee, dat was teveel. Ik kon niet meer vertrouwen.

Joe kroop ontmoedigd weg achter het stuur en sloot zijn ogen weer. Joe, die altijd de positieve kant probeerde te zien in elke situatie, wist het ook. Wij waren verloren. Dit was dan toch het einde.

Ik keek weer naar die uitgestrekte watermassa. “God”, zei ik verslagen, “Ik had op U gerekend.”

Maar… wat was dat? Wat zag ik daar aan de horizon?

Mijn adem stokte in mijn keel… Ver weg op zee was een kruis. Dat kon toch niet? Ik wreef in mijn ogen maar het kruis was er nog steeds. Ademloos keek ik er naar. Een stralend wit kruis stak duidelijk boven de golven uit en leek warempel dichterbij te komen. Was ik nu aan het hallucineren? En opeens werd het me duidelijk. Het was een boot die naar ons toevoer. Het kruis was de bovenkant van de mast. Het was geen hallucinatie. Wij waren gered.

‘Joe, Joe…een boot. Wij zijn gered!’ Ik schreeuwde het uit. Joe sprong op en keek verwilderd en ongelovig om zich heen. We bevestigden ons fel oranje gekleurde reddingsvest aan de mast en zwaaiden met onze armen en schreeuwden wat we konden.

En al snel lag er een groot jacht van ruim twintig meter naast ons. Op het dek staarde een verbaasde jongeling ons ongelovig aan. ‘Wat doen jullie hier in ‘s hemelsnaam?’ riep hij ons toe.

Ik begon te huilen. Een dokter die een weekje vakantie had genomen met zijn familie verscheen al snel aan dek en hielp ons aan boord en weldra zaten wij op de zachte kussens van de banken in zijn kajuit terwijl hij de kaarten bestudeerde.

Hij schudde zijn hoofd in opperste verbazing en zei: ‘Ik begrijp er niets van. Vanochtend heb ik de boot op de automatische piloot gezet, maar wij zijn wel dertig kilometer uit de richting. Dertig kilometer…

En nu vinden wij jullie hier.’

Maar ik begreep het wel. Terwijl ik tot rust kwam in de gezellige, warme kajuit van het jacht werd het mij allemaal duidelijk. De zee die opeens kalm werd. Toen de juiste wind en de plotselinge stilte. Een boot die dertig kilometer uit de koers was gedreven ondanks de beste technologie beschikbaar. Op een oneindige oceaan waren onze twee boten elkaar gekruist op precies het juiste moment. God, die machtige, zorgzame God was bij ons geweest. Hij had ons nooit alleen gelaten en had naast ons gezeten tijdens elke minuut van die verschrikkelijke tocht. Ik kon op Hem vertrouwen.

Een paar uur later brak er inderdaad een storm los, die de zee veranderde in een moordende watermassa met golven van meer dan drie meter hoog. Maar wij zaten veilig weggeborgen in de boot van de dokter, op weg naar huis. En ondanks de onheilspellende donderslagen en de haast onmenselijke golven was ik vervuld met vrede en een diep ontzag voor mijn schepper. Want niets kon mij deren als Hij mij omringde met Zijn machtige hand.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.