Die wonderlijke stem

Bewerkt naar een artikel van A.W. Tozer

In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God. — John 1:1

Hoe prachtig, hoe mysterieus en geweldig is het Woord van God. In het begin sprak God Zijn Woord tot niets, en het werd iets. Chaos hoorde het en werd orde; duisternis hoorde het en werd licht. En God spreekt nog steeds. Hij spreekt in Zijn gesproken Woord, maar ook in de Schepping die Hij ons gaf.

Helaas hoort niet iedereen Zijn stem, eenvoudigweg omdat niet iedereen Zijn stem wil horen.

Johannes schrijft daarover: “Hij was het ware Licht, dat eenieder verlicht, die in de wereld komt”. Jezus, het Woord van God werkt in de harten van alle mensen. Zijn stem klinkt in ieder hart. Er is geen ontkomen aan. Zelfs aan personen die nog nooit van de Bijbel hebben gehoord, wordt het toch gepredikt. Niemand heeft een excuus om het licht te verwerpen.

“Want Gods eeuwige kracht en goddelijkheid zijn te zien in de natuur. Dat is altijd al zo geweest, vanaf het moment dat de aarde werd gemaakt. Maar ze wíllen God niet kennen. Daarom hebben ze geen excuus dat ze God niet dienen.”

Gods stem klinkt altijd en overal. Wellicht is dit ook de oorzaak van veel onrust en vrees, want Gods stem is als een levende nevel die over de harten van alle mensen ligt en is de diepere oorzaak van een onrustig geweten en het verlangen naar onsterfelijkheid. En dat verlangen wordt gestild en de onrust wordt weggenomen als we er naar willen luisteren. Maar dat gebeurt niet altijd.

Toen God uit de hemel over onze Heer sprak: “Dit is Mijn geliefde zoon,” dacht de ongelovige, in zichzelf gekeerde mens dat het donderde. Dat moest wel. Er was geen andere verklaring voor dat vreemde geluid. Er klinken tenslotte geen stemmen uit de hemel. Dit moest een natuurlijke verklaring hebben en dus donderde het. Deze gewoonte om Gods Stem af te doen met de een of andere natuurwet is de grondslag van het ongeloof.

De gelovige mens is anders. Die probeert niet alles te verklaren en valt op zijn knieën en fluistert eerbiedig: “Mijn God. Hoe machtig bent U.” De aardse mens knielt ook, maar niet om te aanbidden. Die knielt om te analyseren en om een logische verklaring te vinden voor de schoonheid van God. Het is de weg van de wereld die liever alles op haar manier uitlegt dan te aanbidden. “Het donderde”, roept ze uit en gaat haar onrustige, aardse weg.

Maar toch blijft die Stem klinken. Zo goed, zo vriendelijk en zo vol troost. Niemand hoeft bang te zijn ernaar te luisteren, tenzij hij besloten heeft zich ertegen te verzetten. Het bloed van Jezus heeft niet alleen het menselijk ras bedekt, maar de hele schepping. De hemel en de aarde zijn vervuld van de goede wil van Hem die Zijn bloed gaf en zo Zijn verzoening voor altijd waarborgde. Wie wil luisteren zal de Stem horen. Om die te horen is het belangrijk stil te zijn, bij voorkeur met de Bijbel open voor ons uitgespreid. Dan kunnen we tot God naderen.

Eerst bespeuren we de Aanwezigheid van onze hemelse Herder die in de tuin wandelt. Dan is er een stem, wellicht een vage indruk, nog steeds verre van duidelijk. En dan, als we rustig blijven luisteren, begint de Geest ons hart te verlichten. Wat eerst slechts een geluid was, of op zijn best een impressie, wordt een verstaanbaar woord; warm, intiem en duidelijk als het woord van een dierbare vriend. Leven en licht stromen binnen, en het beste van alles, het vermogen om Jezus Christus te zien en Hem te omhelzen als Verlosser en Heer en Alles.

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.