Hout uit het vuur

Donkere tijden,
Vol verdriet en vol lijden,
Brandden zo diep in mijn hart
En maakten mij angstig verward.

Maar die tijd is voorbij,
De Herder kwam bij mij,
Door Christus gevonden,
De wonden verbonden,

En weg is de pijn…
O wat een wonder,
Zijn schaap te mogen zijn.

“Wij zijn als een stuk brandend hout dat uit het vuur is gerukt.”* Vergelijkt God ons hier met een stuk brandend hout? Ik dacht dat wij Zijn kostbare kinderen waren? Juwelen in de ogen van de Schepper? Dat zijn wij ook, en juist daarom ging God tot het uiterste om ons van Zijn liefde te overtuigen. En dat was hard nodig, want door onze eigen opstandigheid en ons eigen hardnekkige ongeloof was de dood nabij en lagen we als brandhout in het vuur. Paulus sloeg de spijker op zijn kop toen hij zei: “Want het loon der zonde is de dood, maar het ge[1]schenk van God is het eeuwige leven.”

God griste ons nog net op tijd weg uit het vuur zonder daarbij te denken aan het gevaar om Zijn eigen handen te verbranden. Hij gooide onze verschroeide, zondige kleding weg en gaf ons het witte gewaad dat al Zijn hemelse kinderen mogen dragen. Zo werden wij door God ontvangen zoals ook de verloren zoon werd ontvan[1]gen met onverdiende, maar onvoorwaardelijke warmte en liefde.

“Want uw hart, dat eens vol duisternis was, is nu vol van het licht van de Here.”*

Gods liefde is zo onbegrijpelijk groot. Dat is de liefde die ons nu omringt en beschermt. Dat is de liefde van de Heer, die naar je lacht op het moment dat je je ogen ‘s morgens opent en de nieuwe dag in gaat. Dat is de liefde van God, die je onzekerheid en zwakten begrijpt, maar toch heeft beloofd om naast je te staan, zowel in het licht als in het duister.

Maar God moest zelf de ketenen met het ongeloof verbreken. Zelf konden wij dat niet. God zelf heeft ons gewassen, want de zeep die nodig is om ons van binnen echt te reinigen is op aarde niet te krijgen en veel te kostbaar voor ons menselijk begrip.

Nu is de vijand buitengesloten. Hij belaagt ons nog van ver en wij mogen zijn pijlen niet onderschatten, maar de vloek is verbroken. De vrijheid is gekomen. Niet vrij van God, maar vrij van de pijn, vrij van het uitzichtloze lijden en de donkere zonde die ons verstikte en mee wilde voeren naar duistere landen zonder hoop en liefde.

Wie heeft er lief zoals de Heer? Het hart van Jezus brak zelfs voor de misdadiger die naast Hem aan het kruis hing en in zijn hele leven niets gepresteerd had om trots op te zijn. Op het allerlaatste moment schreeuwde hij het uit en gaf hij toe dat ook hij er een potje van had gemaakt. Jezus rukte ook hem uit het vuur en zei: “Vandaag bent u bij Mij in het paradijs.”

Zouden we voor zo’n liefde niet alles moeten geven?

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.