Ze noemden hem Ishmaël

(De kat die van de buren kwam)  door Wendy Christ, Milwaukee, Wisconsin.

Uit Guidepost Magazine

 Op een ochtend, nadat ik me lang in mijn studie verdiept had nam ik even pauze en ging op de veranda voor mijn huis zitten om tot rust te komen. Het waren moeilijke weken geweest en ik was moe en afgedraaid. Hier was ik, 38 jaar en nog altijd alleen met maar weinig vrienden. Zo nu en dan had ik wel wat contact met mijn buurman Dale, maar ook dat was maar uiterst sporadisch daar hij meestal op bezoek was bij zijn vriendin. Mijn knuffeldieren waren eigenlijk de enige die me een beetje huiselijke warmte gaven, maar je zult begrijpen dat dit nu ook niet direct iets was om over naar huis te schrijven.

Waar ging mijn leven eigenlijk naar toe en had het wel zin? Ik geloofde wel dat er een God was, maar echt kennen deed ik Hem niet en ik had dan ook niet het idee dat God mijn gebeden kon beantwoorden. Dus moest ik zelf een oplossing vinden voor mijn eenzaamheid en lege bestaan.

Ik werkte 60 uur per week als personeelscoördinator voor een farmaceutisch bedrijf, volgde een avondopleiding aan de universiteit en hoopte binnenkort af te studeren. Ik was dus druk genoeg, maar als ik dan in bed stapte na een dag van werken, studeren, eten en televisiekijken knaagde er toch iets aan me; een rusteloos gevoel dat ik toch de plank op de een of andere manier missloeg. Te vaak voelde het alsof er iets ontbrak in mijn leven, iets essentieels.

Op dat moment waaide er een zacht briesje over mijn gazon en ik kreeg het gevoel dat er iemand tot me sprak. Niet met een hoorbare stem, maar het was meer een indruk die me het sterke gevoel gaf dat er iets belangrijks stond te gebeuren. “Er is echt een plan voor je, Wendy. Alles heeft wel degelijk zin, maar je moet het nog ontdekken. Om te beginnen moest je maar eens een kat nemen.”

Een kat? Wat een rare gedachte. Waarom zou ik een kat moeten nemen? De opwelling was heel sterk, maar toch vreemd. Katten zijn prima, maar eigenlijk ben ik meer een hondenpersoon. Met mijn hectische schema was een hond echter niet mogelijk en… ja, toen ik er over na begon te denken leek het nemen van een kat zo gek nog niet.

Ik grapte tegen mijzelf dat God tegen me gesproken had en dus keek ik op naar de hemel en fluisterde: “Prima, God. Ik zal er over nadenken. Als U mij een kat geeft is die welkom, alleen moet die wel op een hond lijken. Hij moet vriendelijk zijn en beminnelijk, me begroeten bij de deur als ik thuiskom en als ik hem roep of fluit moet hij komen, net als een hond.”

De wind blies andermaal over het gazon en deed wat dorre blaadjes opdwarrelen. Was dat Gods manier om mij te antwoorden dat Hij het gehoord had?

Maar er gebeurde verder niets. Er kwam niet opeens een kat uit de hemel vallen en al snel vergat ik het hele gebeuren.

Totdat er een tweetal maanden later, toen ik thuiskwam met mijn armen vol boodschappen, een prachtige kat op de stoep voor het huis van mijn buurman Dale zat.

Dale was twee dagen eerder plotseling overleden en ik vroeg me af of die kat wellicht van Dale was geweest. Arm beest. Ik zette de boodschappen neer op mijn gazon en liep op de kat af. “Hé, jochie, heb je honger?”

De kat was niet overtuigd van mijn goede bedoelingen en trok zich voorzichtig terug. Tenslotte schoot hij uit het zicht. Nou ja, ik heb het in elk geval geprobeerd, dacht ik.

Ik opende mijn deur en ging terug naar de auto voor de rest van de boodschappen. En opeens was die kat er weer. Hij sprong op mijn terras en liep zo maar pardoes mijn huis binnen.

“Mooi zeg,” mopperde ik. “Hoe krijg ik hem er weer uit?”

Toen hoorde ik wat lawaai uit het huis van Dale. Het was Dales vriendin die de boel aan het opruimen was en ik besloot haar om hulp te vragen. Nadat ik haar gecondoleerd had met het verlies van haar vriend vroeg ik naar die kat. “Wat is dat voor beest? Was die van Dale? Hij zit nou bij mij binnen.”

“Een straatkat,” antwoordde Dales vriendin. “Die kwam een paar maanden geleden aanlopen en Dale heeft hem toen maar in de garage gezet. Ik kan er niets mee, want ik heb al een aantal katten en honden.” Ze keek me aandachtig aan en zei toen: “Iets voor jou misschien? Dat beestje zit al bij je thuis.”

Mijn eerste reactie was nee. “Dat beest is schichtig en zo bang als een wezel.”

“Tuurlijk,” zei ze. “Zou jij niet bang en schichtig zijn als je niet weet waar je thuishoort en niet zeker weet of er wel van je gehouden wordt? Maar voor het geval je hem wel wilt hebben, heb ik alles wat je nodig hebt. Een kattenbak, een krabpaal, eten… de hele rataplan.”

Toen herinnerde ik me dat moment op mijn veranda, waar het idee van een kat bij me was opgekomen.

“Heeft die kat een naam?” vroeg ik.

“Ismaël,” zei ze.

“Ismaël?” antwoordde ik. “Dat is bijzonder.”

Ze glimlachte. “Dale was gek op het boek Moby Dick en noemde de kat naar een van zijn favoriete personages in dat boek. Dat was Ismaël.”

“Nee,” sprak een stem in mijn hoofd heel duidelijk. “Die naam komt uit de Bijbel. Ga het maar opzoeken.”

Ik had thuis wel een Bijbel. Zo’n grote, zware die op een plank stof stond te vergaren. Eens, in een ver verleden had ik geprobeerd hem te lezen, maar ik begreep er niets van en de Bijbel kon mijn interesse niet vasthouden. Al die lange lijsten in dat boek Genesis met mensen die trouwden en weer hopen kinderen kregen met namen die je niet kon uitspreken… dat boek was niets voor mij.

Maar het was wel duidelijk dat die kat een Bijbelnaam had en dat had volgens mij niets met Moby Dick te maken.

Maar toen ik naar dat beestje keek, schrikachtig en tegelijkertijd zo hongerig naar een beetje liefde en veiligheid, was ik snel verkocht. Ismaël werd een deel van mijn huishouden.

Al snel begon hij me te vertrouwen en binnen een week sliep hij elke nacht aan het voeteneinde van mijn bed. Als ik aan de eettafel zat wilde hij altijd bij me komen liggen en hij sprong ook bij me op de bank en lag dan vredig te spinnen op mijn schoot.

Na twee weken kwam hij aanrennen als ik met de auto de oprijlaan op kwam rijden en na drie weken kwam hij direct als ik hem riep of floot. En bedelen dat hij deed… Een echte hond was er niets bij. En zo werd het beestje een belangrijk deel van mijn leven.

Ik had God gevraagd om mijn leven op te fleuren, en iets te doen waardoor alles meer zin had. “Een kat,” had Hij gezegd, en ofschoon ik er eerst niets van begreep stuurde hij me Ismaël.

Maar toch kon ik ook toen dat gevoel niet laten varen, dat er nog steeds iets vitaals ontbrak in mijn leven, iets dat zelfs Ismaël me niet kon geven.

Op een avond keek ik naar Ismaël, die helemaal opgerold op de bank lag te soezen en herinnerde me dat ik de dag dat ik hem in huis nam een stem duidelijk had horen zeggen dat de naam uit de Bijbel kwam en dat ik die eens moest opzoeken.

Dat had ik niet gedaan en in een krachtige opwelling gaf ik gehoor aan die impuls om de Bijbel af te stoffen en te gaan lezen: “In het begin schiep God…”

Maar die avond bleef ik lezen en tenslotte kwam ik aan bij het verhaal van Ismaël in Genesis hoofdstuk 16 (hij was de zoon van Abraham verwekt bij het dienstmeisje van zijn vrouw).

Wat een prachtige verhalen waren dat, maar het waren niet zomaar verhalen. Terwijl ik in de Bijbel las voelde ik diezelfde stem weer die me had gezegd dat ik een kat moest nemen. Warm, vertrouwd en veilig. Ik begreep dat Gods stem door de Bijbel heen spreekt en dat Hij ons helpt Hem te leren kennen door het Woord.

Wat een ontdekking. Ik was niet eenzaam. Ismaël had een deel van die eenzaamheid weggenomen, maar zonder het te weten had ik meer nodig. Ik kon met God leven, met de Schepper van het universum, een God die tot me kon spreken en van mij hield.

Wat een prachtig geschenk en de vreugde die ik voelde was onbeschrijfelijk.

Van het een kwam het ander en uiteindelijk ging ik met een collega naar zijn kerk en begon ik te groeien in mijn geloof.

Maar ik vergat niet dat het begonnen was met Ismaël. “Ik denk niet dat ik ooit iets van God begrepen had als jij mijn huis niet was binnengelopen,” zei ik op een keer toen wij samen op het terras zaten en de krekels sjirpten en de nazomerbries weer door de bomen ritselde. Ik was er zeker van dat er een glimlach rond zijn kattengezichtje speelde.

Die winter gebeurde het ergste wat je je kunt voorstellen. Ismaël kreeg een bloedprop die zijn achterpoten verlamde.

“Ik heb slecht nieuws,” zei de dierenarts na onderzoek van de kat, “een operatie zal niet helpen. Het beste voor hem is… Nu ja, je weet wel wat ik bedoel…”

De dierenarts gaf me alle tijd om afscheid te nemen. Ik nam Ismaël in mijn handen en kuste zijn zachte, fluwelen voorhoofdje. “Heer,” bad ik, “Nu moet U weer voor hem zorgen. Wat ben ik dankbaar voor wat U mij gegeven heeft. Als deze kat er niet was geweest, had ik u nooit zo gekend als ik nu doe.” Zo nam ik afscheid en ik aaide hem zachtjes terwijl hij rustig weggleed naar andere oorden. Zijn werk was gedaan. Zijn missie was volbracht.

Ik denk nog vaak aan Ismaël, hoe hij die dag mijn huis binnenliep. Ik opende mijn deur voor een onbekende kat, die mij hielp mijn hart te openen en zo te ontdekken wat er echt ontbrak in mijn leven. In de Bijbel staat: “U zult hem Ismaël noemen; ‘God hoort’, want de Heer heeft van uw ellende gehoord.”

Ja, God luistert en God hoort. Dat weet ik nu zeker.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.