Over de plagen van Egypte

Over de plagen in Egypte

Ik las laatst weer het boeiende Bijbelverhaal over de manier waarop de Heer het juk wegnam dat de Egyptenaren op de schouders van Zijn volk hadden gelegd. De Bijbel beschrijft tien vreselijke plagen die op Egypte neerdaalden. Maar hadden die plagen misschien nog een bijzondere betekenis en had God met elke plaag ook nog een speciale boodschap voor de Egyptenaren om hen Zijn macht en soevereiniteit te tonen? Voor veel Bijbelwetenschappers was dat zeker het geval. Geen enkele plaag was toevallig door God uitgekozen, maar was een directe aanval op een van de vele Egyptische goden. God liet hiermee zien dat Hij ver boven iedere afgod staat.

Egypte was een heidens volk met heidense gebruiken vol afgoderij waarbij zo’n 2000 goden bekend waren. Met de diverse plagen toonde God Zijn macht over iedere Egyptische afgod en bevrijdde Hij uiteindelijk niet alleen Zijn volk, maar toonde Hij ook aan de Egyptenaren dat hun goden waardeloos waren en geen kracht hadden om tegen de enige ware God op te staan.

De eerste plaag veranderde de rivier de Nijl in bloed. De Egyptenaren aanbaden Osiris, een van hun belangrijkste goden. De Egyptenaren geloofden dat de Nijl de bloedstroom was van Osiris, de echtgenoot van Isis. Osiris was de zoon van Geb, de god van de aarde, en diens zuster was Noet, godin van de hemel die verderop ook nog genoemd wordt. Osiris was god van de doden en het eeuwige leven in het hiernamaals. Geen kleine jongen dus in de overtuiging van de Egyptenaren, maar tegen de God van Israël had hij niet veel te vertellen.

Daarna werd Egypte getroffen door de plaag met kikkers. Een van de goden die werd aanbeden was Heket. Deze godin was een belangrijke beschermster bij de zwangerschap en geboorte, een riskante bedoening in het oude Egypte. Zij bracht vruchtbaarheid aan gezinnen en gewassen, en werd afgebeeld als een kikker. Maar Gods kikkers waren een ietsje te talrijk.

Daarna, bij de derde plaag, kwamen de luizen. De Egyptenaren aanbaden de god Geb, de god van de aarde die alle aardse dingen voortbracht, waaronder ook de luis.

Bij de vierde plaag kwamen de vliegen. Er zijn verschillende Egyptische goden waaronder Hatchit, de godin van de moerassen, waarbij een direct verband met een vlieg gelegd kan worden. Ook die god kon niets beginnen tegen God.

De vijfde plaag was die van de pestilentie op dieren zoals koeien. Eén van de machtigste goden van het oude Egypte was de stierengod Apis. Dit was de god van kracht en overwinning in de oorlog. Vele andere goden werden met koeienkoppen en koeienhoorns afgebeeld.

“De zesde plaag, de plaag van steenpuisten, was gericht tegen Sechmet. Dit was de godin die zogenaamd de macht had om epidemieën op te laten houden. Zij was een van de machtigste godinnen uit het oude Egypte en werd ook wel het oog van Ra genoemd.

“De zevende plaag van hagel was gericht tegen Noet, de hemelgodin, en wellicht ook tegen Osiris, de god van de gewassen.

“De achtste sprinkhanenplaag was belangrijk omdat de Egyptenaren sprinkhanen vereerden en ze associeerden met de goden van vrede en het hiernamaals.

“Volgens Egyptoloog Ken Henderson trof de negende plaag, drie nachten van diepe duidsternis over het land, het hart van de Egyptische verering, door de zonnegod Ra aan te vallen. Ook Ra, de zonnegod kon niet op tegen de God van Israël.

De tiende en laatste plaag was wellicht de belangrijkste, en bleek uiteindelijk ook de plaag te zijn waardoor Gods volk kon vertrekken. De Farao zelf werd in Egypte immers gezien als god op aarde, of de god-man. Door de eerst geborene te laten sterven liet de God van Israël zien hoe krachteloos de Farao was en dat hij hoegenaamd geen macht had over leven en dood.

Ken Henderson voegde eraan toe: “Dankzij de archeologie kunnen we beter begrijpen hoe de tien plagen van Egypte die in de Bijbel zijn opgetekend, specifiek gericht waren tegen de verschillende goden van Egypte en zo een getuigenis waren van de onmacht van de afgoden uit Egypte.”

God doet nooit zomaar iets. Alles heeft een doel en overal zit een plan achter. Wat een voorrecht om in die God te mogen geloven en met Hem te wandelen.