Gekneusde appelen

Auteur onbekend

Het gebeurde een paar jaar geleden toen een groep vertegenwoordigers met het vliegtuig naar een regionale verkoopconventie ging, die een paar dagen zou gaan duren.

“Maak je maar geen zorgen,” had de leider hen verzekerd, “Je bent vrijdagavond weer thuis en dan kun je naast je vrouw op de bank lekker uitrusten.”

Maar de vergadering liep uit en toen de conferentie eindelijk was afgelopen stormden de zakenmannen geïrriteerd naar het vliegveld om hun laatste vlucht naar huis nog te kunnen halen. Het alternatief; een lange, vermoeiende nacht op een stoel in de hal van het vliegveld, stond niemand aan.

Dus stormden ze met zijn allen met hun kaartjes door de terminal zonder zich te bekommeren om de mensen om hen heen. In de haast stootte een van de vertegenwoordigers per ongeluk tegen een stalletje waarop een stel manden met appelen en ander fruit stonden. Het fruit vloog in alle richtingen en het was een grote ravage.

‘Jammer dan. We hebben geen tijd om te helpen. Moeten ze maar niet zo’n stomme fruitstal in de gang plaatsen.’

Gelukkig voor de vertegenwoordigers konden ze nog net allemaal hun vlucht halen en zakten ze met het zweet op de voorhoofden uitgeput in hun stoelen.

Allemaal?

Nee, er was er een die het vliegtuig niet haalde.

Die zag wat er gebeurd was en staarde ontzet naar de rommel voor zich. Het meisje dat het fruit verkocht stond met tranen in haar ogen in het midden van de rotzooi.

“Stop, we moeten helpen,” schreeuwde de man nog tegen zijn vrienden, maar die hoorden niets, in hun blinde furie om het vliegtuig te halen.

 

Hij zweeg even, haalde diep adem, nam contact op met zijn gevoelens en ervoer een steek van medeleven met het meisje wier appelkraampje was omgekeerd.

Tenslotte haalde hij zijn schouders op en besloot te gaan helpen. Hij moest zijn vrouw dan later maar bellen.

Toen hij op het meisje afliep stokte de adem hem in zijn keel. Dat kind was blind… en nog geen zestien jaar. Ze huilde zachtjes, want er was verder niemand die zich om haar bekommerde

De vertegenwoordiger knielde naast haar op de grond, en begon de boel op te ruimen. Er zat nogal wat gehavend en geplet fruit tussen. Dat legde hij apart. Toen alles weer netjes was opgezet trok hij zijn portemonnee uit zijn zak en haalde hij er een € 20 biljet uit.

“Hier,” zei hij, “Dat is voor het fruit dat we stukgemaakt hebben. Ik hoop dat we je dag niet te erg verpest hebben.”
En dat was dat. Terwijl de vertegenwoordiger wegliep, riep het verbijsterde blinde meisje hem nog toe: “Mijnheer …”

De verkoper draaide zich om. “Jawel?”

“Ben u Jezus?”

Die woorden sloegen in en hij kon die woorden niet meer uit zijn gedachten krijgen. “Mijnheer, bent u Jezus?”

Dat is een mooie gedachte om te koesteren. Wat zien de mensen als ze ons aanschouwen? Zien ze iets hemels, iets wat liefheeft en geeft, of zien ze de zoveelste gejaagde mens die zo verschrikkelijk hard probeert om zijn eigen doelen na te jagen? Is dat niet onze opdracht en is dat niet wat Jezus bedoelde toen Hij zei: “Als jullie veel van elkaar houden, zal iedereen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.”

En wat die appelen betreft… Jij bent de appel van Zijn oog, en al waren ook wij behoorlijk gekneusd en geplet, net als de appelen van dat meisje, toch hield Jezus op met wat Hij aan het doen was om de boel op te ruimen toen Hij ons op de grond zag liggen.

Dat is wel wat waard, nietwaar?

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.