De duisternis overwonnen

Vaak wordt een nieuw project behoorlijk getest en worden wij als Christenen op de proef gesteld voordat we de resultaten van ons werk zien. God leert ons om te volharden en vastberaden te zijn. Als wij er van overtuigd zijn dat iets Gods wil is in ons leven zal Hij ons niet alleen laten.

Het zijn de lessen van het geloof; moeilijk te leren, maar kostbaarder dan goud. Gods Woord zal ons niet bedriegen. Zijn beloften zijn betrouwbaar. Dat leerde de familie Wild ook, een zendingsechtpaar met vier zonen. Ze waren er van overtuigd dat God wilde dat ze Zijn boodschap van vergeving en de liefde van God moesten delen met een duistere stam, de Wonoks, in het hart van een Aziatische jungle.

De test
Het was al donker toen ik mij een weg baande over het kronkelpaadje dat door de jungle leidde en ik moest goed uitkijken waar ik mijn voeten neerzette. De stilte werd slechts onderbroken door het eenzame sjirpen van een paar verlaten krekels en ik was dan ook blij toen ik het hutje van mijn buurman Tonggop, waar ik naar toeliep, zag opdoemen. Ik moest mijn hoofd buigen om mij door de lage deur naar binnen te persen. Hij zat alleen bij het vuur en droeg niet veel meer dan zijn gescheurde, versleten korte broek. Hij keek niet op toen ik binnen kwam. Ik ging zwijgend naast hem zitten en staarde in het vuur, wachtend tot hij het gesprek zou beginnen.

Zonder op te kijken mompelde hij in zijn eigen brabbeltaaltje dat ik nog maar nauwelijks begreep. Maar die avond was het me duidelijk wat hij te zeggen had.

“Ik hoorde dat ze met je willen afrekenen. Als je niet weggaat gaan ze jullie in stukjes snijden en worden jullie lichamen verbrand.”

Angst golfde door mijn lichaam. Dat was een ernstige mededeling. Wat moesten we doen?

 Achtergrond
We hadden ons vanuit Florida zes jaar lang voorbereid op ons zendingswerk in het ondoordringbare oerwoud ergens in Azië met de bedoeling de liefde van Jezus te verkondigen aan de Wonok stam.

En als ik het over ‘we’ heb, bedoel ik mijn gezin, waaronder mijn vrouw en vier jonge kinderen. Wij waren hier nu vijf maanden en met de hulp van mijn oudste zonen en een paar Wonok mannen hadden we een eenvoudig onderkomen gebouwd. Kleine boomstammen werden aan elkaar gespijkerd om een geraamte te bouwen dat we bedekten met bladeren en schors. Daarmee bedekten we ook de vloer en voor het dak gebruikten we een soort rubberen laken dat we bedekten met palmbladeren om het rubber te beschermen tegen de verzengende zon. Ons paleis was klaar. Dit was in 2006. Mijn vrouw, Libby, onderwees de jongens iedere dag buiten de hut en had al snel geleerd hoe je uit vrijwel niets toch een behoorlijke maaltijd kon maken. Het was onze hoop ons de taal zo snel mogelijk eigen te maken en nadat onze aanwezigheid in het dorp geaccepteerd was hield ik me voor dat doel dagelijks bezig met de mannen van het dorp. Ik ging met hen op jacht en verbleef met hen in de gemeenschappelijke ruimte, de koinyawi (mannenhut). Maar de taal was een formidabel obstakel. Ik begreep al snel dat ieder werkwoord op zo’n 2000 manieren vervoegd kon worden waarbij de betekenis behoorlijk kan veranderen. Geen mens, buiten de Wonok zelf, had hun taal ooit geleerd, en je kunt je wel voorstellen dat ik maar moeizaam vooruitgang maakte.

Voor de Wonok was de jungle hun thuis en zoals wij ons thuis voelen in onze plaatselijke winkelstraat, waren de mannen het best op hun gemak in het ondoordringbare oerwoud rondom het dorp en volgde ik hen waar ik maar kon. Elke avond, als ik weer thuis kwam schreef ik alles op wat ik geleerd had en probeerde ik de verschillende klanken te begrijpen die ik die dag weer gehoord had. Langzaam, dag na dag, begon ik hun taal een beetje te begrijpen.

 Gebed, onze voortdurende burcht
En die avond, toen ik dus hoorde wat mijn vriend Tonggop te melden had, vocht ik met mijn emoties en probeerde ze in bedwang te houden. Onze zonen en mijn vrouw en ik zouden in stukjes gesneden worden? Daar word je niet vrolijk van. Wat moesten we nu doen?

De vijandige mannen waar Tonggop het over had waren een tweetal dagen eerder in het dorp aangekomen. Ze waren van een andere stam en stonden bekend om hun wreedheid. Ik had gehoord dat ze vaak gijzelaars namen van naburige stammen en deze zonder pardon in mootjes hakten als ze niet kregen waar ze om vroegen, en nu hadden ze het op ons gemunt. Ze wilden niets met ons te maken hebben. Wat kon ik doen om mijn gezin te beschermen?

Toen ik die avond thuiskwam en Libby vertelde wat er aan de hand was huilden en baden we samen op de vloer van ons gammele hutje. We realiseerden ons maar al te goed dat er niets was dat wij zelf konden doen om ons uit deze ellendige situatie te redden. God moest voor ons opstaan. Maar zou Hij dat ook doen? Het bleek dat de vijandige kerels zelfs een aantal bomen hadden omgehakt in de omgeving van ons hutje zodat we er niet ongezien vandoor konden gaan.

“Heer, U maakt geen fouten en U hebt een reden dat wij hier zijn. U bent de baas en kunt alles naar Uw hand zetten. Geen mens kan tegen Uw wil opstaan en U hebt ook deze situatie in de hand. Uw Woord zegt dat U het beste met mij en mijn gezin voor hebt.”

Op dat moment kwam er een e-mail binnen via onze satelliet modem. Een zendingsvriend, die niets van onze situatie afwist, schreef dat de Heer het op zijn hart had gelegd om ons aan te moedigen met Psalm 27. De beloften uit die Psalm leken voor ons persoonlijk geschreven en de tranen stonden in onze ogen.

 

 

De HERE is mijn licht en mijn redder. Voor wie zou ik dan bang zijn? De HERE is mijn levenskracht. Zou ik dan nog angst voor iemand hebben? Toen de misdadigers kwamen om mij te vernietigen zijn zij zelf gestruikeld en gevallen. Al komt een heel leger op mij af, ik word niet bang. Al wordt er oorlog tegen mij gevoerd, ik blijf toch vertrouwen! Ik heb de HERE slechts één ding gevraagd, daar gaat mijn hele hart naar uit: dat ik mijn hele leven in het huis van de HERE mag blijven. Om de lieflijkheid van de HERE te kunnen zien en steeds meer over Hem te leren in Zijn tempel. Want wanneer kwade tijden aanbreken, verbergt Hij mij in Zijn hut. Hij verstopt mij in Zijn tent, die staat op een plaats die niemand weet. Hij zet mij hoog op een rots. Psalm 27: 1-6

Zou God een wonder doen of moesten we het maar opgeven en wegrennen? Zijn beloften leken te zeggen dat wij ons geen zorgen hoefden te maken. Hij zou ons verbergen in onze hut en daar besloten we ons aan vast te houden. Wij zouden geen hulp inroepen en niet wegrennen met de staart tussen onze benen. En de Heer hield Zijn woord.

De volgende dag verlieten de wrede mannen om onverklaarbare redenen het dorp en werd er geen haar op onze hoofden gekrenkt. Deze gebeurtenis markeerde voor ons de ommekeer. Met nieuwe moed en overgave stortten wij ons op het werk om de liefde van God ook in deze verlaten uithoek van de wereld te brengen.

Het werk
Nadat wij drie jaar bij de Wonoks geleefd en gewoond hadden waren we de taal meester. Tegen die tijd hadden wij hen geholpen bij iedere geboorte, en met hen gehuild bij ieder overlijden. Wij hadden inmiddels een schooltje gebouwd waar we de kinderen onderwijs gaven en een soort medische hulppost gaande hielden. Als resultaat waren wij inmiddels een gerespecteerd en geliefd deel van hun dorp geworden en nu was het tijd om naast de fysieke hulp die we hen dagelijks boden, ook het evangelie te brengen. Maar hoe breng je het evangelie aan een volk dat al duizenden jaren verstrengeld is in een duister bijgeloof?

Het was de overtuiging van de Wonoks dat slechte geesten het leven bepaalden. Elke gebeurtenis, van hun geboorte tot aan hun dood, werd bepaald door de wil van de geesten en natuurlijk eisten die zelfde geesten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en overgave en moesten er regelmatig offers gebracht worden. Als een geest bijvoorbeeld beledigd was door een verkeerde handeling moest er een vinger van een baby worden afgehakt om de toorn van de geest te ontlopen.

Een ander bizar gedachtegoed was dat bepaalde vrouwen er in de nacht op uit trokken om de mannen van het dorp aan te vallen met ziekten en dood. De mannen sliepen daarom met speciale bladeren in bed, die konden openbaren welke vrouwen het waren die hen aanvielen zodat ze actie konden ondernemen. Als zo’n man er door zo’n waarzeggend blad van overtuigd was welke vrouw door zo’n geest geleid werd mocht hij de vrouw aanvallen en doorzeven met pijlen tot deze dood zou bloeden.

Wat konden we dus doen om deze duisternis te doorbreken en dit volk bekend te maken met het verhaal van de Bijbel, de vergeving van zonde en het eeuwige leven dat Jezus voor hen bewerkstelligd had? Een ding was voor ons duidelijk, we konden geen water bij de wijn doen en konden niet beginnen bij het Nieuwe Testament. Het hele verhaal moest hen worden geopenbaard en dus moesten we beginnen bij Genesis 1. Alleen door het hele verhaal te vertellen, met alles erop en eraan zou hun geloof stevig gegrondvest kunnen worden.

Overwinning
Vanaf het begin hadden we samengewerkt met een team zendelingen die in naburige dorpen actief waren en wel in het bijzonder met de Ingels familie. Nu we de taal meester waren werkten Tim Ingels en ik onvermoeibaar aan een soort studieplan en vertaalden wij de belangrijkste delen van de Bijbel in de taal van de Wonoks. Zo werkten we ons door de bijbel heen met de belangrijkste passages en verzen uit het Oude Testament en leidden we naar het Nieuwe Testament toe. Uiteindelijk kwamen we zo terecht bij het verhaal van Jezus zelf en Zijn opstanding.

In 2010 begonnen we het Evangelie met de Wonoks te delen, en onderwezen we hen zes dagen in de week, drie maanden lang, onafgebroken het Woord. De reactie was overweldigend.

Elke dag zagen we hoe de liefde van God meer op hun gezichten begon te stralen en het levende Woord van God een werk in hun harten verrichtte dat wij als mensen onmogelijk zelf hadden kunnen doen.

Sinds die eerste dag in 2010 hebben talloze Wonoks hun hart aan Jezus gegeven en heerst er nu warmte en vrede in de verschillende dorpen in het duistere oerwoud.

Nawoord
Ik denk nog vaak terug aan de verschrikkelijke avond waarop Tonggon mij vertelde dat ik in mootjes gehakt zou worden. Het was een ware test van geloof, maar het was ook de eerste keer dat ik de alles omvattende aanwezigheid van God voelde zoals ik die nog nooit eerder gevoeld had. Satan gaat rond als een brullende leeuw, maar als God tussen ons en Satan gaat staan kan hij brullen wat hij wil. Dan gebeurt er niets en zijn we veilig in Zijn handen. Het was toen een angstige avond, en er zijn nog vele andere angstige momenten bijgekomen, maar God heeft ons nooit laten vallen. Ik weet nu dat God soms de angstigste momenten in een mensenleven toelaat om ons geloof te sterken en ons te laten zien dat er niets, maar dan ook helemaal niets is waar een kind van God zich zorgen over hoeft te maken. De Wonoks zijn inmiddels uitgegroeid tot een vreedzaam volk waar blijdschap en een gezond geloof de pijlers zijn van hun bestaan. En dat was toch zeker de moeite wel waard.

Michael Wild is een zendeling voor de Wonok in de jungles van Azië. Hij en zijn vrouw zijn druk bezig om de hele Bijbel in de plaatselijke taal te vertalen en zijn kinderen delen in hun geloof. Dit is te zien in een DVD serie genaamd “The Wild Brothers.”

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.