De mooiste handen

Naar een oude legende

Lang geleden was er eens een koning die met de koningin in een prachtig paleis woonde. Het verhaal gaat dat de koning drie lieftallige dochters had die elkaar in schoonheid leken te overtreffen. De een was nog mooier dan de ander en uiteindelijk werd hun schoonheid een onderlinge bron van irritatie en wrevel, want de dochters vonden alle drie van zichzelf dat ze de mooiste waren in het land.

De koning was het gekibbel beu en zei op zekere dag, om van het gezeur af te zijn, dat de vrouw met de mooiste handen zou worden uitgeroepen tot de schoonste vrouw uit het koninkrijk.
Dat vonden de dochters alle drie een geweldig idee, want ze waren er ieder afzonderlijk vast van overtuigd dat niemand aan hun handen zou kunnen tippen.

“Mijn handen zijn overduidelijk hemels,” sprak de eerste dochter, wier ranke vingers straalden met een natuurlijke gloed die ze had verworven bij het plukken van aardbeien in de koninklijke tuin.

“Ze zijn mooi om te zien,” sprak de tweede terwijl ze haar lip vol minachting krulde. “Maar niets vergeleken bij die van mij.” Zij verzorgde de rozen in de koninklijke tuin met haar welgevormde vingers en waar ze maar kwam droeg ze die zoete, overweldigende geur van de rozen met zich mee. Als ze de troonzaal binnenkwam zwaaide ze haar handen met een weids gebaar in het rond en snoof de koning de geur met een gelukzalig gezicht op.

Maar de handen van de derde dochter straalden als kristal. Zoiets had werkelijk niemand eerder gezien. Ze zat elke dag uren bij de koninklijke rivier en verzorgde haar handen met de uiterste zorg, zodat ze blonken als waterdruppels in de reflecterende zon.

“Vertel ons vader,” pleitte de eerste dochter tenslotte, “wie van ons heeft de mooiste handen?”

Dat was een moeilijk besluit voor de koning die met zijn raadslieden in overleg ging om de juiste beslissing te nemen.

Net op dat moment ging de deur van de troonzaal open en strompelde er een in lompen gehulde bedelaar binnen. “Een aalmoes,” mompelde hij, terwijl de wachten toesnelden om hem er uit te gooien, maar dat ging de koning te ver. Die wilde wel eens zien hoe zijn dochters zouden reageren op deze onverwachte verschijning.

De bedelaar wendde zich tot de eerste dochter die haar zachte aardbeihanden ontzet omhoog stak en terugdeinsde achter een koninklijke pilaar.

De tweede dochter zwaaide wild met haar handen om de stank van de bedelaar te verjagen met de rozengeur van haar schone handen, maar toen dat niet lukte, rende ze huilend weg.

En de derde dochter sidderde van angst dat haar kristal getinte handen bevuild zouden worden door een aanraking van dat vieze mannetje. “Ga weg,” fluisterde ze angstig. “”Scheer je weg van hier.”

Toen stapte de oude, gebochelde dienstbode van de koning naar voren en legde haar hand op de schouders van de bedelaar. “Arme man,” sprak ze zacht. “Waar kom jij opeens vandaan. Ik heb je nog nooit eerder gezien, maar ik zal je wel helpen.” Ze zocht in haar schort en haalde er een zilveren dukaat uit die ze liefdevol in de bevende hand van de bedelaar legde.

Op hetzelfde moment, zo gaat het verhaal, veranderde de bedelaar in een machtige, stralende engel die met vastberaden stem zei: “De mooiste handen zijn van de mens die klaarstaat om zijn medemens een helpende hand toe te steken. Dat zijn de enige handen die er toe doen in het koninkrijk van God.”

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.