Wat een dag

Onbekend

Gedeprimeerd en vol zelfmedelijden liep ik naar huis. Na twee jaar verkering had mijn vriend me de bons gegeven voor een verwaand meisje van de sportclub. Daar had ik niet op gerekend. Het laatste schooljaar zou bijzonder moeten zijn.Onbekend

Hij was niet eens mans genoeg geweest om het me zelf te vertellen. Drie van zijn kornuiten vonden het maar al te leuk om dit mee te delen. Wat een rotzakken. Ik kon ze geen van allen uitstaan. Mijn hart was gebroken en ik voelde me eenzaam.

Ik slenterde over het paadje langs het kanaal. De geur van dode vis en uitgedroogde algen kwam me tegemoet. Het was al wekenlang bloedheet.Toen stond ik voor de deur van ons huis. Ik veegde mijn voeten af op de mat waarop met grote letters stond geschreven: “Welkom.”

“En waar kom jij zo laat vandaan juffrouw?” klonk de harde, bevelende stem van mijn vader toen ik binnenging. Dat was geen vraag. Dat was meer een beschuldiging. Ik liep snel langs hem heen zonder te antwoorden. Dat kon ik nou even niet gebruiken.

“Wat denk je wel? Zo gaat dat niet. Je kunt mij niet zomaar negeren. Vooruit, naar je kamer. Ik wil je niet meer zien.” Ik gaf hem nog een “Barst maar” gezicht en stormde meteen de trap op. Prima. Dat was toch de enige plaats waar ik nu wilde zijn. Wat had die man toch? Mijn vader was de laatste maanden zo onaardig. Ik kon hem momenteel echt niet uitstaan. Mannen… wat had je eraan? Ik had schoon genoeg van iedere man. Ik sloeg de deur van mijn kamer dicht. Meteen op slot. Niemand mocht binnen.

Ik deed de computer aan en maakte verbinding met het internet. Ik moest mijn gevoelens kwijt. Met iemand praten. Ik ging gemakkelijk in mijn draaistoel zitten en zocht naar een plaatselijke chat site. Dat was gemakkelijk genoeg en toen ik er een gevonden had ging ik meteen naar “romantiek”. Het scherm vroeg me naar mijn naam en ik typte in “eenzaam_hart”. Zo voelde ik me tenslotte en denk maar niet dat ik mijn echte naam op het internet gebruik. Je weet tenslotte nooit wie je voor je hebt en er lopen genoeg gekken rond.

“Hallo eenzaam… Wat zoek jij hier vanmiddag?” Iemand antwoordde me.

Ik keek naar de naam van de vraagsteller: Zijn naam was “Eenzaamheid.”

“We hebben in elk geval iets gemeen. Ik wil gewoon praten,” schreef ik terug.

“Ik ook,” kwam zijn antwoord direct. “Waar wil je het over hebben?” Toen spuwde ik alles er uit. Ik vertelde hem alles over mijn dag en hoe ongelukkig ik was en dat ik het even niet zag zitten. De woorden stroomden er uit. Kon mij wat schelen. Hij zou het toch niet begrijpen. Mannen begrijpen nooit wat.

“Ik ben zo terug,” schreef hij weer. “Ik moet even heel nodig iets doen.”

Ik moest even slikken. Zie je wel. Die komt nooit terug. Nou ja, wat geeft het ook. Op dat moment werd er op mijn deur gebonsd. Ik sprong verschrikt uit mijn stoel.

“Tatiana?” klonk die overbekende stem van mijn vader. “Er staan nog wat restjes in de koelkast als je honger krijgt. Ik ben in mijn kantoortje als je me nodig hebt.” En toen was hij weer weg. Mooi. Opeens kwam er weer antwoord op mijn computerscherm.

“Ik weet heel goed hoe je je voelt.”

Dat had ik niet verwacht. Hij was teruggekomen. “Ik voel me net zo. Mijn familie heeft schoon genoeg van me. Ik heb geen vrienden en mijn familie begrijpt niet hoeveel ik eigenlijk van ze hou.”

“Waarom vertel je het hen dan niet?”vroeg ik.

“Kan niet,” antwoordde hij kortaf. Ik voelde dat het beter was om niet teveel aan te dringen en dus begonnen we over algemene dingen te praten. Hoe we over dingen dachten en wat we van het leven verwachtten. Hier was iemand die me echt begreep. Dit was echt te gek.

“Eenzaam…?” schreef hij opeens…”Ik ben stervende.” … Ik begreep het niet

“Wat bedoel je?” schreef ik terug.

“Precies wat ik zeg. Ik ga dood.”

Een paar minuten die wel een eeuwigheid leken bleef het stil. Ik begreep wel wat die man schreef, maar ik kon het niet bevatten.

“Hoe komt dat dan?” schreef ik uiteindelijk.

“Ik ben een paar maanden geleden naar de dokter geweest. Ik heb kanker. Niets aan te doen. De dokter zei dat ik misschien nog 30 jaar leef, maar het kan ook afgelopen zijn in 30 dagen.”

De moed zonk me in mijn schoenen. Ik voelde me echt verbonden met deze man. Dat was toch niet eerlijk. Hij kon niet sterven.

“Je mag het aan niemand vertellen,” schreef hij weer. “Niemand weet het. Ik heb het mijn familie niet verteld, want ik ben zo enorm bang voor wat er gaat gebeuren. Ik hou zoveel van mijn familie. Wat moeten ze zonder me doen?”

Nu heerste er een onaangename stilte. Ik keek op mijn horloge. Het was al vroeg in de morgen. Opeens wist ik wat ik moest doen. Ik moest die man ontmoeten. Ik moest hem laten weten dat iemand om hem gaf. Zijn familie was te zelfzuchtig. “Eenzaamheid…?” typte ik weer in.

“Ja…”

“Ik vond het zo fijn om met je te praten. Kan ik je misschien ontmoeten. Ik moet straks van de computer, maar misschien kunnen we elkaar vanmiddag ontmoeten?” Het antwoord kwam snel.

“Dat zou ik heel fijn vinden. Je woont toch ook in Alkmaar, niet? Dan kunnen we elkaar ontmoeten in het café bij het station. Wat denk je?”

“Prima,” schreef ik terug. “Om vier uur als het jou schikt.” Ik keek weer op mijn horloge. Het was nu bijna acht uur.

“Prachtig. Afgesproken,” schreef hij terug.

“Ik kan haast niet wachten,” antwoordde ik nog terwijl ik het hardop zei.

“Ik moet nu echt gaan. Ik zie je vanmiddag bij het tafeltje aan het raam. En toen zette ik de computer uit. Ik stond vermoeid op uit mijn stoel en rekte mij luidkeels geeuwend uit. Twaalf uur had ik aan de computer gezeten… Ik was uitgehongerd. Ik draaide de sleutel van mijn kamerdeur om en sloop zachtjes naar de keuken.

Mijn broertje zat al een soort havermout op zijn bekende manier op te slobberen dus ik greep maar een paar bananen en vertrok weer snel naar mijn kamer om mij klaar te maken voor de dag. Er kwam een streepje licht onder de deur van het kantoor van vader uit. Hij was dus ook wakker. Ik zou durven zweren dat ik hem tijdens de nacht een paar keer had horen lachen en mompelen, maar dat zou ik me wel verbeeld hebben. Ik kon maar beter zo snel mogelijk vertrekken voordat ik zijn geschreeuw en gemopper weer moest aanhoren…

De schooldag ging snel voorbij. Ik zag mijn ex-vriend Johan nog in de gang staan. Hij zag er opgewekt uit, maar toen hij mij zag sloeg hij zijn ogen neer en vertrok hij met stille trom achter een pilaar. Zijn nieuwe vriendin zag ik gelukkig niet.

Maar dat maakte me allemaal niet uit, want ik zou vandaag de aardigste en vriendelijkste man ontmoeten die ik ooit in mijn leven was tegengekomen, zelfs al kende ik hem nog maar een paar uur.

Toen ging de laatste schoolbel. Ik zag Johan nog haastig naar buiten rennen. Had zeker een afspraakje. Het was kwart voor vier. Ik had dus genoeg tijd om naar het café te lopen, want dat lag hier niet ver vandaan. En opeens zonk de moed me in de schoenen. Misschien was die man helemaal niet zo aardig. Misschien had hij wel een zieke geest die me pijn wilde doen. Was hij misschien pas twaalf jaar…? Of tachtig?

‘Het maakt niet uit. We ontmoeten elkaar in het openbaar en ik heb gezegd dat ik er zal zijn, dus ga ik ook.’ Bovendien voelde ik diep van binnen dat de man de waarheid had gesproken en werkelijk stervende was. Hij had me nodig. En dus liep ik gespannen naar het café.

Toen had ik de moed om me om te draaien en hem aan te kijken. Hij huilde inderdaad. Hij bedekte zijn voorhoofd alsof hij het allemaal niet meer bevatten kon.

Toen huilde ik ook. We omhelsden elkaar. Urenlang hebben we daar gezeten; lachend, huilend en blij om bij elkaar te zijn. Dit was inderdaad mijn beste vriend.

Het was mijn vader.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.