Het bezoek van de ruimtemannetjes

Ik las onlangs een fictief verhaal door een schrijver, Ian Thomas, die een interessant beeld schetst van ons menselijke bestaan op aarde. In zijn verhaal stelde hij zich een planeet voor die bevolkt werd door intelligente ruimtemannetjes die op zoek waren naar de ware kennis van God.

Die ruimtemannetjes woonden ergens ver weg, in een ander sterrenstelsel, en waren ervan overtuigd dat ze allemaal door God gemaakt waren, maar ze hadden er geen idee van hoe die God precies was en in hun harten leefde een diep verlangen om die God, de Schepper van het universum, beter te leren kennen.

En zo kwam het dat ze op een goede dag, door hun hoog ontwikkelde vormen van intergalactisch inzicht, het bestaan van een planeet ontdekten die Aarde werd genoemd en waar wezens woonden die God schenen te kennen. Uit oude geschriften bleek dat God de wezens die op die planeet Aarde woonden, mensen werden ze genoemd, geschapen had naar Zijn eigen beeld en gelijkenis. Dat was groot nieuws. Eindelijk zouden ze meer te weten komen over God. Door de mensheid zouden zij hun allereerste glimp van God te zien krijgen.

Onmiddellijk en vol blijde verwachting maakten ze dus een ruimteschip klaar om een delegatie naar die verre Aarde te sturen met het specifieke doel om over God te leren.

Nadat een select gezelschap van ruimtemannetjes voor deze belangrijke missie was gekozen werden ze onder groot gejuich uitgezwaaid en begonnen ze hun verre tocht naar de planeet Aarde.

Na een lange reis door verschillende sterrenstelsels kwamen ze uiteindelijk aan. De harten van de voor deze missie geselecteerde ruimtemannetjes gingen sneller kloppen toen Aarde in zicht kwam. Die prachtige blauwe planeet werd alsmaar groter naarmate ze dichterbij kwamen en de schoonheid was betoverend. “Weldra zullen we de mens zien,” zeiden ze opgewonden tegen elkaar, “Eindelijk zien we het schepsel dat God maakte naar Zijn volmaakte evenbeeld. We zullen naar huis kunnen terugkeren vol kennis en begrip van hoe God werkelijk is. Wat een voorrecht.”

Nadat ze geland waren op een braak liggend terrein aan de rand van een grote stad vol met rare gebouwen en rokende fabriekspijpen klommen ze uit hun ruimteschip en liepen vol verwachting de stad in.

Het eerste wat ze zagen was een lichaam dat op de stoep lag en waar ze overheen moesten stappen. Een dronkaard lag daar in zijn eigen vuil, en alhoewel de ruimtemannetjes niets over dronkenschap wisten vonden ze dit toch wel een rare ontmoeting. Terwijl ze hun ruimteneuzen optrokken knielden ze naast de man neer en probeerden ze met hem te praten, maar de man kreunde alleen maar. Er kwam geen zinnig woord over zijn lippen.

Uiteindelijk lieten ze de man maar niet begrijpend liggen en stapten verder. Maar daar om de hoek wachtte hun een tweede verrassing. Twee bendes, bestaande uit mannen met woeste gezichten, flikkerende messen en botte knuppels sloegen op elkaar in. Hun armen waren bedekt met bloedende littekens en uit hun monden klonken angstaanjagende oerkreten die de ruimtemannetjes deden rillen.

Een vrouw met lege ogen en kleren die niets leken te bedekken stond in de buurt te kijken en toen ze haar vroegen wat er aan de hand was legde ze uit dat het twee drugsbendes waren die vochten om het recht om heroïne in de straat te verkopen. Daar begrepen de ruimtemannetjes niets van, maar van al dat geweld moesten ze niets hebben dus renden ze angstig een andere kant op en kwamen buiten adem tot stilstand voor een verlopen café. Daar zou het ongetwijfeld veilig zijn en dus stapten ze naar binnen.

De weinige mensen die er al zaten zeiden boe noch bah. Ze hadden norse gezichten en keken stil voor zich uit met een glas in hun hand. Boven de bar hing een televisie. De ruimtemannetjes slaakten een zucht van verlichting. Dat kenden ze tenminste en ze probeerden te volgen wat er op het scherm gezegd werd. Hier was een uitgelezen kans om meer over de mensheid te leren. Een jonge dame in een broekpak kondigde het wereldnieuws aan.

Maar het nieuws dat ze hoorden vervulde hen met afgrijzen. Het ging alleen maar over terroristische aanslagen, ziekten, moordenaars, verkrachters, corrupte politici en tenslotte een lang verslag van een of andere sportwedstrijd met gillende toeschouwers.

De ruimtemannetjes staarden geschokt naar het scherm, totdat een van hen zich tot de anderen wendde en fluisterde: “Kunnen we alsjeblieft weggaan van deze planeet. Het stinkt hier.”

Zo dachten ze er allemaal over en ze renden zo snel ze konden weer naar hun ruimteschip, gebukt onder afschuw en ontgoocheling over deze vertoning van Gods beeld. Hun lange terugreis was heel wat anders dan de heenreis. Hun enthousiasme was verdwenen en had plaatsgemaakt voor vertwijfeling en ontmoediging. Hoe moesten ze dit nieuws delen met hun geliefden thuis?

En zo, terwijl ze wegvlogen, eindigde het verhaal.

Er zijn natuurlijk geen ruimtemannetjes, maar als iemand de ruimtemannetjes beter had kunnen voorlichten en ze wat langer rondgewandeld hadden zouden ze hun bezoek toch beter begrepen hebben. De aanblik van onze aarde toonde de ruimtemannetjes niet hoe God was, maar gaf hen een beeld van de zondige, gevallen mens. Zij verwachtten een Hof van Eden, maar in plaats daarvan troffen zij een verdorven, gebroken wereld aan.

De chaos in de wereld is het resultaat van de menselijke conditie die ontstaat wanneer mensen van God gescheiden zijn en God niet op de eerste plaats willen stellen, of Hem zelfs maar een plaats willen geven. We zullen het leven op deze planeet nooit echt begrijpen totdat we begrijpen wat de Bijbel bedoelt met zonde, en wat de zonde heeft gedaan met het menselijk ras.

De profeet Jeremia heeft daar iets over te zeggen in Jeremia 17:9-10: “Het hart is het meest bedrieglijke ding dat bestaat. Het is door en door slecht. Niemand kan ooit precies weten hoe slecht het is! Behalve Ik, de Here! Ik doorgrond alle harten en toets de meest verborgen gedachten, om zo ieder mens het loon te geven dat hij verdient, afhankelijk van zijn daden en levenswijze.”

Ongeloof is de reden voor de pijn in deze wereld. Het is de reden waarom veel mensen geloven dat onze toekomst hopeloos is. Maar er is wèl hoop. God stuurde ons zijn Zoon, niet alleen om ons te leren goed te leven, maar om ons te transformeren, en om ons nieuwe harten te geven. De profeet Ezechiël beschrijft wat God in ons leven wil doen:

“Ik zal u een nieuw hart geven—en nieuwe en goede verlangens—en een nieuwe geest in u planten. Ik zal uw versteende hart wegnemen en u een nieuw hart van vlees ervoor in de plaats geven. Doordat mijn Geest in u zal wonen, zult u mijn wetten gehoorzamen en doen wat Ik van u vraag.” (Ezechiël 36:27-28)

Het gaat niet om religie, wetten, of uiterlijk vertoon, maar het ware Christendom richt zich op het innerlijke. Het gaat allemaal over het leven van God, werkend in de harten van de mensen die met Hem willen lopen en zich overgeven aan Zijn liefde, macht en heerschappij. Paulus vatte het goed samen toen hij schreef: “God wilde dat zij zouden weten wat een rijk en prachtig geheim Hij voor alle volken heeft. Dit is het geheim: dat Christus in u leeft. Hij is uw hoop op Gods heerlijkheid.”
Colossenzen 1:27