De scepticus

Door Stella Terril Mann

Op een mooie lentedag stond Thomas opeens voor mijn neus. Ik had hem weleens eerder gezien, maar had nog nooit met hem gesproken. Ik was net bezig met de verzorging van mijn tuin en was mijn Japanse vruchtboom aan het snoeien.

Lang en mager en wat voorovergebogen, alsof hij zijn gewicht nog maar nauwelijks kon meedragen kwam hij aangesjokt. In zijn ogen waren pijn en teleurstelling te lezen.

“Wat een prachtige boom,” zei hij opgewekt terwijl hij naar de boom wees, maar echt blij zag hij er niet uit.

“In de zomer hangen er grote, gele vruchten aan,” antwoordde ik, “maar erg lekker zijn ze niet. Ze zijn heel zuur.” De boom stond volop in bloei met prachtige witte bloesems en een zoete, haast hemelse geur verspreidde zich door de tuin.

“Ik kon hem een paar straten terug al ruiken,” zei Thomas. “Heerlijk. Wat doe je eigenlijk met de vruchten?”

We gingen samen op het lage tuinmuurtje zitten. “Eigenlijk kan ik niet echt naar die boom kijken zonder te denken aan Gods schoonheid en liefde. Zo sterk, zo majestueus en wonderlijk. Vroeger kookte ik de vruchten om er jam van te maken. Maar dat werd niets. Veel te bitter. Toen heb ik God een keer gevraagd hoe ik er lekkere jam van kon maken. Ik besloot toen de schillen niet mee te koken. Nu smaakt hij heerlijk.””

“Je wilt me toch niet vertellen dat God tegen jou praat?” zei Thomas meewarig. “Wie gelooft er tegenwoordig nog in God,” vervolgde hij somber. “Als je me God zou kunnen laten zien, zou ik het best willen geloven, maar God bestaat niet.”

Hij vertelde me wat meer over zichzelf. Hij was geen slechte kerel. Eerlijk en recht door zee, maar zijn leven was kil en eenzaam. En nu, terwijl hij op leeftijd was gekomen voelde hij zich bedrogen door het leven. Hij was niet klaar om te sterven.

De zon is al aan het ondergaan in mijn leven,” zei hij vermoeid. “Als mijn lichaam er de brui aan geeft ben ik gewoon helemaal weg. Zomaar opeens. Daar wil ik weleens met je over praten.”

“Welnee Thomas,” zei ik aanmoedigend. “Jouw leven ligt in de handen van God. Jij, die unieke persoon die in jouw lichaam zit, je geest…die leeft voor altijd. Als je lichaam kapot gaat dan stap jij, je geest, gewoon uit je lichaam. Maar dan ben je meer levend dan je ooit geweest bent.”

Thomas keek naar de grond zonder iets te zeggen. “Jaja…”zei hij tenslotte. “Jij hebt maar geluk dat je dat kunt geloven. Jij hebt echt geloof. Maar ik heb een rusteloos verstand en mijn verstand wil een duidelijk, rationeel antwoord. En antwoorden op vragen zoals het leven na de dood kan ik niet vinden.”

Nu stond ik zelf even met mijn mond vol tanden. Thomas had gelijk dat het vrijwel onmogelijk is om te geloven als dat geloof wordt geblokkeerd door het verstandelijk denken en een sceptisch gepuzzel.

“Maar zelfs de geschiedenis laat zien dat Jezus geleefd heeft,” probeerde ik het vanuit een andere hoek. Jezus is echt gekruisigd en weer uit de dood opgestaan. Daar is bewijs voor. Er zijn zoveel getuigen die dat hebben gezien en het staat in oude geschiedkundige geschriften. Na de opstanding is Jezus meer dan tien keer verschenen en eens zelfs aan meer dan 500 mensen tegelijk.”

Thomas leek niet onder de indruk. “Mensen maken fouten. Nee, ik moet dat geloof in mijn eigen verstand en hart kunnen stoppen, zoals dat bij jou leeft, anders werkt het niet. ”

Als ik gewoon zou kunnen geloven dat dit hele universum meer is dan een toevallige samenscholing van atomen en dat er werkelijk een plan is en een doel en dat ik daar een deel van ben…ja dan zou ik de gelukkigste mens van de wereld zijn. Dan zou ik in vrede kunnen sterven.”

“Ik wil je graag eens aan mijn man voorstellen,” zei ik toen het tijd werd voor Thomas om weer naar huis te gaan. Hij is architect en ingenieur…en hij gelooft. Ik zou het leuk vinden als je nog eens kwam.” Dat vond Thomas een goed idee. En dat was het begin van een warme vriendschap. Thomas kwam geregeld op bezoek en samen met mijn man hadden we vaak diepe discussies over het geloof.

Het werd al snel duidelijk dat Thomas inderdaad echt dacht dat hij eenzaam ronddoolde in een eindeloos, leeg universum waar alles zomaar tot stand was gekomen, zonder doel, zonder reden en zonder ontwerp.

Op zekere dag kwam ons gesprek op een studie door een wetenschapper die rekenkundig had aangetoond dat het onmogelijk is dat zelfs maar één kleine cel zomaar toevallig tot stand kan komen. De evolutieleer schotelt ons voor dat alles zo’n vier miljard jaar geleden begon, maar deze wetenschapper toonde met wiskundige formules aan dat indien zoiets al mogelijk zou zijn, er vier miljard jaar gevolgd door 230 nullen voor nodig zouden zijn om zoiets te bewerkstelligen. Daar keek Thomas van op.

“Ga door,” zei Thomas. “Ik ben een en al oor.” Langzaam begon hij de wereld toch anders te bekijken en begon er in zijn belevingswereld een beeld te groeien van schepping, een plan en een doel voor het leven.

“Misschien is er wel een schepper,” zei Thomas op een keer. “Het lijkt erop dat er een plan is, maar hoe weet ik nu dat God ook voor mij een plan heeft?”

Mijn man glimlachte en zei: “Thomas, ik heb met dezelfde vraag geworsteld. Maar daar is een antwoord op. Als wetenschapper leer je dat er in de natuur nooit iets verloren gaat. Energie kun jij bijvoorbeeld niet vernietigen. Als je kolen verbrandt verandert de vorm wel en ontstaat er hitte en licht, maar de energie is nog precies hetzelfde, alleen is die overgegaan in een andere vorm. Nu vraag ik jou: “Als gewone energie onverwoestbaar is, wat denk je dan van jouw geest?”

Thomas had zowaar een licht in zijn ogen. “Ja,” zei hij opgewonden. “Zo heb ik het nooit bekeken.”

Langzaam groeide er ook bij hem iets van hoop.

Maar waar hij het liefst over praatte was onze Japanse vruchtboom. Keer op keer vroeg hij me weer: “Vertel nog eens hoe God tegen je praatte? Dat vind ik zo mooi.” Dan lachte hij enthousiast en zei: “Ik lijk wel een kind. Die houden ook zo van mooie verhalen.”

Na de zomer kwam hij niet meer zo vaak. Hij ging nu zelf op zoek naar antwoorden en was zijn eigen ontdekkingsreis begonnen. Er was wel iets nieuws in hem geboren. Er was een zaadje van geloof in hem gezaaid.

In december stond hij opeens weer voor de deur.

“Het gaat goed met je Thomas,” zei ik tegen hem.

“Ja,” zei hij eenvoudig. “Het gaat veel beter.” Tegen oud en nieuw kwam hij nog een keer aanzetten met een kerstgeschenk. Zijn sombere uitstraling was verdwenen. Maar zijn lichaam scheen niet in de kracht van zijn geest te delen. Zijn lange ongelukkige leven had zijn sporen nagelaten en lichamelijk ging het niet goed met hem. Toen wij samen bij de open haard zaten zei hij opeens: “Ik kan haast niet wachten tot ik op reis ga.” In mijn onnozelheid zei ik bijna: “Ga je dan ergens naar toe?” maar ik realiseerde me net op tijd waar hij het over had. “Prachtig”, zei ik toen. “En je reist niet alleen.”

“Precies,” beaamde hij. “Reizen doe ik niet meer alleen.” Toen vertrok hij in de gure winternacht. Dat was de laatste keer dat wij hem zagen.

De volgende lente stond mijn boom weer in volle bloei en ik snoof gelukzalig de geur van het nieuwe leven op. Maar toen ik daar op een dag stond bekroop mij een heel vreemd gevoel. Een treurig gevoel, maar toch heel vrij. Om een onverklaarbare reden sprongen er tranen in mijn ogen. Ik ging tegen de boom zitten en bad. En terwijl ik daar zo zat hoorde ik het. Heel eventjes, maar heel duidelijk. Vlak bij mijn oor. Daar was dat lachje van Thomas.

Thomas…?

Er was niemand in de buurt. Maar ik had het echt gehoord. Een uur later ging de telefoon. Thomas was gestorven. Hij was vredig en blij gestorven en was volledig bij bewustzijn tot op het moment van zijn dood. “Hij wilde graag dat je wist dat alles goed met hem ging en dat je je over hem geen zorgen meer hoefde te maken”, zei de stem aan de andere kant van de telefoon. Thomas was gelukkig en was thuisgekomen.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.