De brozem

Door Koos Stenger

Op een dag riep de Heer me bij Zijn troon.

Ik liet mijn werkzaamheden in de tempel direct vallen en snelde naar Hem toe. Hij keek me liefdevol aan en zei toen: “Ik zou wel eens willen weten wat jij hier van vindt.”

Ik bloosde. Wat ik er van vind? En waar gaat het dan over? “Natuurlijk, Heer,” hakkelde ik. “Zegt U het maar.”

Hij knikte en wenkte me om dichterbij te komen. “Kijk hier eens naar,” zei Hij met Zijn warme stem, “en vertel me wat je er van vindt. Ik laat je het hart van een mens zien, een mens van wie   ik bijzonder veel houd, en Ik zou graag willen  dat jij Mij vertelt hoe je dit hart ziet.”

“Dat is goed, Heer,” zei ik onzeker. Aan de ene kant voelde ik me gevleid dat God mij om mijn mening vroeg. Ik vond mijzelf tenslotte een hele Piet. Ik had tenslotte al het nodige meegemaakt op mijn weg naar de eeuwigheid. Maar aan de andere kant… het hart van iemand van wie de Heer bijzonder veel hield?  Dit was ongetwijfeld het hart van een heilige, of in elk geval van iemand die het veel beter voor elkaar had dan ik. Wellicht wilde de Heer me dit dus laten zien als een spiegel zodat ik kon begrijpen waar ik mijn leven nog kon verbeteren. Ik beet op mijn onderlip en besloot mijn beste beentje voor te zetten bij het vellen van mijn oordeel.

Toen ik dicht bij de troon was gekomen bevond ik mij plotseling midden in een visioen. Ik zag iets dat leek op een boerderij ergens in een prachtig veld dat was bezaaid met de mooiste bloemen en waar vogels kwetterden. De wind ruiste door een tweetal stoere bomen vlak bij de boerderij en een ogenblik lang dacht ik dat ik in de hemel was beland. Maar toen ik beter keek zag ik dat de boerderij niet goed onderhouden was. De verf was van de raamkozijnen afgebladderd en de deur hing schuin in zijn voegen. Nou, dat had de persoon die daar woonde toch wel wat beter kunnen doen. Als je in zo’n mooie omgeving woont behoor je toch zeker beter voor je huisje te zorgen.

Toen werd ik opgeschrikt door het geluid van een bromfiets, die knetterend en brullend over het veld kwam aanstormen. De konijntjes konden maar ternauwernood wegspringen, de vogels fladderden in paniek weg en de brozem (Ik kon er geen ander woord voor vinden) die een grote helm op zijn hoofd had, waar lange, wapperende haren onderuit staken, reed dwars door een bloemenperk, maakte een uitgekiende slippende manoeuvre met zijn machine voor de voordeur waardoor de aarde omhoog spoot, en stapte toen met modderlaarzen de boerderij binnen.

 

Ik voelde boosheid in mijn hart opwellen en toen ik even later hoorde dat de televisie aanging en een zwoele damesstem beweerde dat de beste shampoo van de wereld in de plaatselijke supermarkt kon worden aangeschaft, draaide ik mopperend mijn hoofd weg en zei: “Heer, ik heb wel genoeg gezien. Dit is niet het hart van een heilige. Dit is het hart van iemand die het zo nauw niet neemt met Uw Woord en waar U maar eens een hartig woordje mee moet spreken.”

“Waarom denk je dat?” vroeg God me met zachte stem.

Moest God me dat nog vragen? “Onverantwoordelijk gewoon,” antwoordde ik beledigd. “Die vent woont in zo’n paradijs, maar laat alles op zijn beloop. Die verwacht zeker dat U de ramen en deuren voor hem verft, de tuin onderhoudt en misschien ook zijn tanden nog voor hem poetst…. En U houdt van die man?”

Ik kon het niet bevatten.

De Heer knikte begrijpend en sprak toen met tedere stem: “Ja, Ik houd in het bijzonder van die man. Dat is een van mijn zonen.” Mooie zoon, dacht ik, maar dat durfde ik natuurlijk niet hardop te zeggen.

“Het is maar een visioen,” zei de Heer rustig. “Maar zo zie Ik de dingen in de Geest. En die man op die bromfiets die jij een brozem noemt… Dat ben jij.”

Mijn hart stond stil en alles begon rondom me te duizelen. Ik wilde iets zeggen, ik wilde uitschreeuwen dat de Heer zich vergist had. Dat was ik niet… Ik was altijd met de Heer bezig…Ik werkte in de tempel… Ik…Ik… maar er kwam niets uit mijn mond, omdat ik wist dat de Heer gelijk had en de tranen sprongen mij in de ogen.

De Heer legde zijn hand op mijn hoofd en liet me uithuilen. Tenslotte keek ik in Zijn liefdevolle ogen. “En nu, Heer?” zei ik met bevende stem.

“Niets,” zei God. “Ik zei toch al dat Ik bijzonder veel van je houd. Ik stierf voor jou en zou dat vandaag weer doen als dat moest. Ik wilde alleen dat je zag dat je nog een lange weg te gaan hebt, maar wel een weg waarop je bij iedere meter op Mij kunt rekenen.”

Een diepe warmte golfde door mijn lichaam en ik gooide mijzelf in Gods armen. “Vader,” huilde ik opnieuw, “Hoe goed bent U toch. Vergeeft U mij voor mijn lauwe houding, en mijn ongeloof.”

En zo stond ik een ogenblik in Zijn omhelzing, ofschoon het wel een eeuwigheid leek, totdat Hij mijn hoofd in Zijn handen nam en zei: “Ga maar terug naar de tempel. Er is nog veel werk te doen. Maar vergeet nooit dat ik in het bijzonder heel veel houd van die brozem in het visioen”

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.