Weg voor altijd

Een schrijver schreef eens: “God schildert graag met een grote verscheidenheid aan kleuren in Zijn schilderijen, maar het liefst schildert Hij met wit. Het sneeuwwit dat rode zonden kan bedekken.”

Hij kan iedereen die door Hem naar God gaat van de ondergang redden.
-Hebreeën 7:25

Een gelovige moeder gaf eens een tekst aan haar zoon die als een verborgen schat zeven lange jaren ergens diep in zijn hart begraven bleef. Het was het vers: “Hij kan iedereen die door Hem naar God gaat van de ondergang redden.” Jarenlang leek het er op dat hij zijn ondergang tegemoet ging. Zijn zonden doemden huizenhoog voor hem op; ze schenen onuitwisbaar en de schat die zijn moeder in zijn hart voor hem had begraven leek verloren.

Maar toen kreeg hij de kans Jezus in zijn hart te ontvangen en lichtte dat vers opeens op en begreep hij wat zijn moeder hem had proberen te vertellen. Die dag kwam hij er achter dat het bloed van Christus zelfs voor hem krachtig genoeg was.

“Ik heb geleden,” riep hij uit, “en ik kom uit het vuur tevoorschijn met schroeiplekken en littekens en de herinnering aan mijn slechte leven staat gebrandmerkt in mijn ziel, maar ik mag rusten in de armen van God.”

Hij vergeleek zijn leven met een pak sneeuw dat vreselijk vuil was geworden. Er was niets op aarde dat de voormalige pure witheid kon herstellen. De littekens zouden nooit meer weggaan en altijd zou hij de last van zijn zwarte verleden moeten meetorsen… totdat hij oprecht naar God liep door Jezus. De littekens bleven, maar de pijn was weg en de duisternis was verdwenen. Alles werd nieuw. “Al waren uw zonden rood als scharlaken, Ik maak ze wit als sneeuw. Al waren ze vuurrood, ze zullen worden als witte wol.”(Jesaja 1:18)

En zo wast God iedereen schoon die met een oprecht hart naar Hem toekomt. We dragen de littekens van ons wilde verleden wellicht nog altijd met ons mee, maar ze kunnen ons niet langer deren, ook al doet de reus van ‘Gisteren’ nog zo zijn best om dat verleden in ons gezicht te slingeren. Die reus steekt maar wat graag zijn beschuldigende vinger uit naar een pikzwart verleden en brult dan met donderende stem dat wij uiteindelijk toch moeten boeten voor zonden van zo’n groot formaat. Maar dat is een leugen. Wij zijn door Jezus tot God gekomen. Wij hebben Zijn uitgestrekte hand vastgepakt en zijn van de ondergang gered.

De genezen wonden van de ziel blijven lang kwellen,
de rode littekens zijn niet meer te herstellen.
Er is een schreeuw dat de onschuld is verloren
en de zonde ons geluk voor eeuwig zal verstoren.
Verdwijn, o leugen van het ongeloof
Gods oor is voor al mijn zonden doof.
Want ik greep mij vast aan Jezus’ heilige hand
Er is voor mij dus altijd plaats in het hemels land.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.