Ik heb dorst.

Jezus dorstte tijdens Zijn kruisiging. Hij smachtte naar water. Niet verwonderlijk na alles wat Hij had meegemaakt. Maar hij schreeuwde die dag niet alleen maar naar water. Er was nog een andere dorst die Hem er toe bracht om het kruis met al die verschrikkingen te dragen. Dat was de dorst naar de mens, Gods dorst naar jou en mij. Toen Jezus uitschreeuwde dat Hij dorst had gaf Hij ook uiting aan Zijn diepste verlangen, Zijn dorst naar gemeenschap met Zijn kinderen.

Daar, aan het kruis komen alle diepste vragen en verlangens van mens en God tot uiting in die laatste fluisteringen van Jezus.

Jezus dorst naar ware vriendschap met ons persoonlijk. De Herder van ons hart verlangt er naar om ons hart te bezitten. Hij ziet er naar uit om gemeenschap met ons te hebben, met ons te praten en ons inzicht te geven op onze levensweg. Jezus is bereid om elke afstand te overbruggen en geen prijs is Hem teveel om ons van Zijn liefde te overtuigen. Wat kan Hij nog meer geven dan wat Hij al gegeven heeft? En zo klopt Hij telkens weer op de deur van ons hart.

Luister, Ik sta voor de deur en klop. Als iemand Mij hoort en de deur opendoet, zal Ik bij hem binnenkomen. Dan zullen wij samen eten, hij met Mij en Ik met hem. (Openbaring 3:20)

Deze uitspraak van Jezus slaat niet alleen op onze redding, maar is ook een leidraad voor ons gebed. Jezus roept, Jezus klopt, wij antwoorden en het is niet andersom. Eigenlijk is gebed telkens weer een zoektocht naar de Heer, een reis die begint omdat de Almachtige God eerst naar ons op zoek is gegaan. Hij heeft ons geschapen om in vriendschap met Hem te leven. God komt altijd eerst. Wij niet.

Dat denken we weleens en dan leven we alsof God er voor gemaakt is om in onze noden te voorzien. Als het goed met ons gaat doet God wat Hij verondersteld is te doen. Hij komt Zijn beloftes na en alles gaat zoals het moet gaan. Maar als het slecht gaat dan… ja wat dan? Echt begrijpen doen we het dan niet. Is God er eigenlijk wel? En waar heb je Hem voor nodig als Hij toch niet altijd helpt?

 

Zulke gedachten laten zien dat wij nog altijd op de eerste plaats staan en diep in ons hart eigenlijk vinden dat onze eigen noden belangrijker zijn dan de noden van Gods hart. Maar wij vergeten keer op keer dat wij voor God gemaakt zijn en God niet voor ons. De Bijbel noemt het de zondige menselijke natuur.

Verleid om Hem niet te vertrouwen, verbergen we ons liever dan gehoor te geven aan het zachte kloppen op de deur van ons hart. Wij verzetten ons er tegen. We denken dat wat de Heer van ons wil in strijd is met wat we voor onszelf willen. Religie, vroomheid en heiligheid? Dat zijn opeens loodzware begrippen. Dat soort zaken zijn een last en leggen ons beperkingen op. Dat willen we niet; we willen onze vrijheid, en de Heer lijkt die met zijn morele normen weg te willen nemen. Onze vrije wil en Zijn goddelijke wil lijken tegenstrijdig. Als kleine kinderen slaan we onze handen over onze gezichten en denken we dat als wij God niet zien, Hij ons ook niet ziet. Maar dat is natuurlijk onzin, met het gevolg dat wij verdwalen in zelfgenoegzaamheid en angst, schommelend tussen wanhoop en overmoed. Maar als wij ons hart voor Hem openen en moedig met Hem de reis naar Zijn hart in gebed ondernemen zal die opstandigheid in Zijn nabijheid wegsmelten.

Het gebed wordt pas echt een gebed als we ons bewust worden van Zijn dorst en de warme stilte van Zijn liefde toestaan om als een zachte wind binnen te stromen. In gemeenschap met God verwelkomen we het Woord dat vlees is geworden en geven wij God de gelegenheid onze levens te vullen met Zijn gedachten en verlangens. Onze hardheid en ons gebrek aan liefde verschrompelen voor Zijn aangezicht en dan zien we slechts de onmetelijkheid van Zijn grote barmhartigheid. Jezus dorstte aan het kruis, maar Hij dorst vandaag nog steeds. Laten wij onze deuren openen. Hij brengt het levende water van de waarheid en ieders dorst wordt gelest.

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.