Het gevreesde snoeimes

De ranken aan Mij die geen vrucht dragen kapt Hij weg. De ranken die wel vrucht dragen snoeit Hij, om er nog meer vruchten aan te laten komen.
-Johannes 15:2

“Nog wat verder hakken.” Wat klonken die woorden me vreemd in de oren. Ik luisterde naar het geluid van het snoeimes en de bijl toen de tuinman de seringenstruiken klein snoeide. Ze stonden te dicht bij de ramen en hadden al jaren de zon en de frisse lucht in de weg gestaan en namen het uitzicht weg. We sloegen het hele proces gade terwijl de ene struik na de andere tegen de vlakte ging en iemand zei: “Nog wat verder snoeien en dan krijgen we iets moois te zien. Die seringen belemmerden het uitzicht op de bergen!”

Ik was uiteindelijk blij met het werk van de tuinman. Er kwam zoveel moois voor in de plaats en je hoorde iedereen kreten slaken zoals: “Wat een prachtig boompje staat daar verderop! Dat heb ik nog nooit eerder opgemerkt!” “Wat een geweldige spar daar, moet je kijken!” “Dat uitzicht! Zoiets heb ik nog nooit gezien!”

In ons eigen leven hebben we ook wel zulke ervaringen gehad. Nadat God aan het werk met ons was geweest en in ons gesneden had en dingen weggenomen had, hebben wij toen ook niet zo’n ervaring gehad en dingen gezegd zoals: “Ik ben nog nooit zo dicht bij God geweest als in de tijd na de dood van mijn kindje.” “Ik heb nooit gezien hoe mooi dat Bijbelvers is, maar nu zie ik het!”

Ja, Hij weet alles het beste! We moeten op Hem vertrouwen. Eens zullen we alles duidelijker zien.

God is een vurige Snoeier,
Hij weet, dat wie uit verkeerde tederheid
het snoeimes niet wil gebruiken,
de rozen verstikken laat.

-John Oxenham

 

Geef me de moed om de snoeimethodes van Uw Heilige Geest te doorstaan. Geef me de moed om op te geven wat me dierbaar is als het me scheidt van Uw nabijheid. In Jezus’ Naam bid ik U!

***

Een stuk hout klaagde eens steen en been omdat er in gesneden werd en het doorboord werd met gleuven en gaten, maar hij die het hout in zijn handen had en wiens mes zo genadeloos aan het werk was luisterde totaal niet naar het geklaag en gezeur. Hij bouwde een fluit uit het hout in zijn handen en wist beter dan op te houden op verzoek van een stuk hout. Hij zei: “O dom stukje hout dat je bent, zonder al die gaten en gleuven zou je slechts een stok zijn; een eindje hard zwart ebbenhout waar geen geluid uit kwam. De gleuven die ik in je maak, waardoor je lijkt te sterven, zullen je veranderen in een fluit en dan zul je met je mooie muziek de harten van de mensen veroveren. Het snijden en boren wordt gedaan om iets van je te maken, want dan zul je kostbaar en waardevol zijn en zul je een zegen zijn voor de wereld.”

David had nooit zulke mooie liederen kunnen maken als hij niet zwaar beproefd was geweest. Zijn beproevingen maakten van zijn leven een instrument waarop God de melodieën van Zijn liefde kon spelen om de harten van de mensen te veroveren en te verzachten.

Wij zijn slechts dode instrumenten totdat de Meester onze snaren raakt. Aarden kruiken waarin God Zijn wijn giet.
We zijn harpen die stil en verstomd in de wilgen hebben gehangen, totdat de snaren van onze harten opzwellen en breken met een goddelijk ritme.

Het leven is pas klaar voor gebruik door de Meester nadat het gebroken is.

Download PDF