De tuin van God

‘Bang voor het duister?
Bang voor de zorgen en pijn?
Jezus staat naast ons;
Wij hoeven niet angstig te zijn.

Geplant in de tuin van de Meester,
Badend in’t hemelse licht,
Zo ben ik veilig geborgen
En komt de hemel in zicht’

Jezus heeft een tuin. Een prachtige tuin. Daar straalt alles met een overweldigende rust. En Jezus, de dierbare Herder, geniet. God de Vader is met de tuin begonnen en nu, na vele jaren, staat de tuin vol met de prachtigste bloemen en planten. Het is een waar paradijs.

Jezus zorgt voor iedere plant met diepe genegenheid en de uiterste zorg. Elke bloem is Hem bekend. Iedere roos, iedere struik, maar ook het kleinste plantje, en zelfs het eenvoudigste madeliefje behoort Hem toe.

Geen bloem is te klein of te onbelangrijk voor Zijn liefdevolle zorg. Jezus stort Zijn liefde uit over alles dat leeft in de tuin van God. En die bloemen en planten, dat zijn wij. Door Jezus verbonden met God en geplant in Gods tuin.

En daar bloeien we en dragen wij vrucht als Gods kinderen die Hem liefhebben, die naar Hem verlangen en die er halsreikend naar uitkijken om Hem te mogen behagen. En net als in het paradijs loopt Jezus elke dag weer door de tuin. Dan spreekt Hij met ons en luistert Hij stil en met aandacht en worden onze harten gesterkt.

Alles is Hem bekend. Zoals een goede tuinman weet Hij precies wat iedere bloem nodig heeft om tot volle bloei te mogen komen. Niet iedere plant heeft dezelfde voeding nodig. Ook groeien sommige planten beter in de schaduw, terwijl andere juist beter gedijen in het warme zonlicht. Sommige planten doen het goed op vochtige grond, andere hebben juist minder water nodig. Maar iedere plant is veilig en geborgen.

Jezus zei daarover: “Zij zullen nooit verloren gaan. Niemand kan hen van Mij afnemen. Mijn Vader Die hen aan Mij gegeven heeft, is groter dan wie ook. Niemand kan hen uit de hand van mijn Vader wegroven.” *

Een tuinman voedt en beschermt. Een tuinman snoeit ook. Een pijnlijk proces dat snoeien, maar zonder dat Jezus zo nu en dan het snoeimes in ons zet, kunnen wij niet die hemelse geur voortbrengen waar Hij zo naar verlangt. Het is tenslotte Zijn tuin en Hij is de tuinman. Soms stopt Hij ons als bollen zelfs onder de grond.

Eerst zijn we daar niet blij mee. De grond lijkt haast verstikkend en we kunnen het licht niet langer zien. In onze onwetendheid schreeuwen we het uit: “Niet in het duister. Heer, ik wil niet in het duister.” Maar juist dan groeit er nieuw leven en brengen we nieuwe bloemen voort. En als de lente is aangebroken boren we ons weer door de aardkorst heen en prijzen we God in het stralende morgenlicht. Als we dan om ons heen kijken zien we dat we nog steeds in Gods tuin geplant zijn. “Niemand kan ons tenslotte uit de hand van de Vader wegroven.” *

Eens komt het moment waarop ons aardse leven is uitgebloeid. Ook dan worden we weer voor een korte tijd in het duister geworpen. Maar zelfs dan nog zijn wij niet alleen. “Al loop ik door de vallei des doods, toch ben ik niet bang, want U bent dicht bij mij. U bewaakt mij en gaat de hele weg met mij mee.” * Ook dan prikken we door het duister heen. Het is de tijd van het eeuwige morgenlicht. Ditmaal kijken we verwonderd om ons heen, want nu zien we dat we niet langer staan geplant in de tuin van Jezus op aarde.

Nu staan we in de hemelse tuin. Zo onbeschrijflijk mooi en zoveel schoner dan de tuin die Jezus beheerde op aarde. Want “Wat niemand heeft gezien, niemand heeft gehoord en wat niemand ooit bedacht, dat heeft God allemaal klaar voor hen, die Hem liefhebben.“ Daar zijn we voor eeuwig verbonden met Jezus. Voor altijd in de tuin van de Vader.’

Johannes 10:28-29
Psalm 23
1 Korinthe 2:9

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.