Charley, waar ben je?

Door Koos Stenger

“Charley, waar ben je?”

Aanvankelijk maakten we ons geen zorgen. Onze zwarte labrador deed niets liever dan rondrennen naast het bospad waar wij liepen om daar konijnensporen te volgen en volop van haar leventje te genieten. Maar nu zagen we haar opeens niet meer. Waar was ze gebleven?

Ik riep nog maar eens een keer.

Nog steeds geen antwoord. Ook geen geritsel door de bosjes en de varens verderop. Er was een specht aan het werk en de bomen ruisten zachtjes en spraken van geheimen over de goedheid van God, maar verder hoorde ik niets.

Er was iets duidelijk niet in orde. Ons kameraadje met zijn glanzende vacht gedroeg zich normaal niet zo.

Ik liep van het pad af en schreeuwde luidkeels haar naam terwijl ik me een weg baande door hoge varens, stekelige braambosjes en struikelde over knoestige boomwortels.

“Charley, waar ben je?”

Plots nam ik een ongewoon gejank waar in de verte. Was dat onze hond? Met bonzend hart liep ik verder totdat ik bij een vreemd uitziende vijver belandde. Geen natuurlijke vijver waar je aan de oever zit en naar overvliegende ganzen kijkt en kunt mijmeren over de eeuwige wateren van Gods Woord.

Nee, dit was een met de hand gemaakt reservoir. Het zag er donker en diep uit, met een rare, onnatuurlijke verhoging. En daar was ons uitgeput huisdier, wanhopig aan het proberen tegen de kunststof zijkanten van deze vijver op te klimmen. Ze had het al bijna opgegeven. Maar toen ze me zag aankomen veranderde het ellendige gejank in vreugdevolle hondenkreten. Ik kon haar net op het nippertje omhoog trekken naar de veilige oever . Wat waren we allebei blij, toen we weer op het rechte pad aankwamen waar ze van was afgedwaald.

“Charley, waar ben je?”

Achteraf moest ik denken aan Iemand anders die dezelfde woorden had uitgesproken. Dat was God, toen ook Hij zijn vriend aan het roepen was.

“Adam, waar ben je?”

Adam viel niet in een vijver. Hij at van de verboden vruchten en riep Gods vervloeking af over de wereld. En daar kwam God; Hij wandelde in de koelte van de dag en verlangde naar gezelschap, maar vond dat niet, want Zijn vrienden waren er niet.

In tegenstelling tot mij met mijn hond, wist God heel goed waar Adam en Eva uithingen. Maar de pijn die Hij voelde moet erger zijn geweest dan de mijne. Zijn geliefde vrienden verstopten zich voor Hem.

Daarom riep Hij met een stem vol verlangen: “Adam, waar ben je?”

De rest van het verhaal kennen we wel, maar waar ik het over heb is het feit dat God nu nog steeds roept. Hij roept nog steeds hetzelfde. Hij roept ons iedere dag.

Toen ik die woorden las, zette ik mijn eigen naam ervoor in de plaats. Daardoor wordt het veel persoonlijker. God verlangt ernaar om met mij te praten in de koelte van de dag, net zoals Hij met Adam deed.

Ik probeer me niet voor God te verbergen. Ik heb niet van de verboden vruchten gegeten… nou ja, gisteren misschien wel. Nu ik er goed over nadenk, heb ik er de dag daarvoor ook van gegeten… Ik moet toegeven dat ik geen heel schone lei heb als het om zonden gaat, maar het mooie is dat God het me heeft vergeven en dat Hij me nog steeds roept. Elke dag zelfs.

En zo roept Hij ons allemaal op om samen met Hem te gaan wandelen in de koelte van de dag. Zet je eigen naam maar op de plaats van Adam en laat je ziel vervuld worden van de tederheid, de vriendschap en de liefde die God voor jou persoonlijk heeft.

Luister naar Zijn stem: “Waar ben je, Mijn kind?”

En zeg dan: “Hier ben ik, lieve Heer. Ik ben zo blij dat ik met U kan praten.”

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.