Ik wil leven

Vertaald uit Guidepost magazine

Voor de negen jaar oude Beth was de wereld een angstaanjagende plaats. Ze was altijd bang. Of het nu om insecten ging of slangen, onweer of een auto die langzaam langs hun huis reed, Beth was altijd bang dat er iets verkeerd zou gaan en dat het onheil zou komen.

Het ergste was haar angst voor het donker. Als ze naar bed ging moest moeder het

licht aanlaten en werd er altijd onder het bed gekeken of er niet een of ander hongerig roofdier lag te wachten tot het licht uitging.

“Wees toch niet zo bang,” zei haar moeder dan. “Jezus zorgt voor je en Hij staat altijd naast je.”

Maar daar was Beth niet zo zeker van, want het duister was tastbaar. Dat kon ze zien en Jezus zag ze niet.

Soms vergat ze haar angsten even als ze met de kinderen uit de buurt speelde. Dan lichtte haar gezicht op van blijdschap, maar het was maar voor korte tijd. Telkens weer kwamen die duistere gevoelens terug. Dat er iets slechts zou gebeuren was voor Beth zeker. Het kwaad lag op de loer en het was slechts een kwestie van tijd voordat het haar te pakken zou krijgen.

Op haar tiende verjaardag leek dat werkelijkheid te worden. Na haar verjaardagsfeestje kreeg Beth onverwachts zware koorts en kon ze nog nauwelijks ademhalen. Haar ouders gingen direct met haar naar het ziekenhuis, maar de dokters konden de oorzaak van haar hoge koorts niet vinden.

Ze moest worden opgenomen en bleef alleen achter in die beangstigende plaats van ziekte en dood.

Ze ging snel achteruit en kwam letterlijk voor de poorten van de dood te staan.

“Er is niets dat we nog kunnen doen,” zeiden de artsen tegen de radeloze ouders. “Het is nog maar een kwestie van een paar dagen voordat ze sterft.”

De kerk bad voor haar, vrienden stuurden kaarten en iedereen was met haar begaan, maar het mocht allemaal niet baten. Ze kon nog nauwelijks ademhalen en wachtte op haar einde.

Die avond, terwijl ze alleen in haar ziekenhuisbed lag, wenste ze dat het snel voorbij zou gaan. Al haar angsten waren uitgekomen. Het kwaad was gekomen.

“Ik wil graag sterven,” fluisterde ze in een onzeker gebed. Haar oogleden werden zwaar en ze voelde hoe ze weggleed in een verlossende duisternis…

Er schoot een vlammende pijn door haar lichaam, maar nog voordat ze kon uitschreeuwen was de pijn weer verdwenen en was de kamer verlicht door een zacht en warm licht. Ze kon weer ademhalen. Moeiteloos.

Vlak voor haar, aan het voeteneinde van haar bed zag ze een klein, stralend lichtje. Maar wat was dat? Beth keek er naar en zag hoe het licht een vorm kreeg.

Toen ontwaarde ze een man met bruin haar en een baard die voor haar stond. Hij straalde zoveel warmte en troost uit dat Beth naar hem toe wilde kruipen en zich aan hem vast wilde klampen. Haar angst smolt weg als sneeuw voor de zon.

Wil je sterven? vroeg de man. Hij sprak niet met woorden, maar Beth hoorde de vraag duidelijk en helder.

Niet echt, antwoordde Beth. Ik ben maar een klein meisje; ik ben pas tien jaar.

De man knikte en glimlachte. Het was net alsof hij Beth beter kende dan zij zichzelf en precies wist wat er in haar omging. Toen, alsof ze naar een film keek, zag Beth een vrouw met een zoon en twee dochters. De vrouw gaf pianoles. Er was vreugde en plezier, maar toen zag ze ook beelden van pijn en verdriet. Ze zag de vrouw worstelen met pijn terwijl ze een rollator voortduwde.

Het werd Beth duidelijk dat ze een beeld van haar toekomst zag. Hoe dat kon wist ze niet, maar ze wist het zeker, dit was hoe haar toekomst er uit zou zien.

Toen zei de man, “Wil je leven?”

Beth knikte. “Ja…ik wil leven.”

De man draaide zich om en liep weg en met hem verdween het licht en voor Beth het wist lag ze weer alleen in de ziekenhuiskamer. Maar ze kon gewoon ademhalen en voelde zich fris en sterk en er was rust en blijdschap in haar hart.

Een paar dagen later mocht ze het ziekenhuis uit. De doktoren begrepen niet wat er gebeurd was. “Het is ongelooflijk,” zei er een. “Dit kan eigenlijk niet, maar uw dochter is gewoon…genezen.”

Toen haar moeder die avond het licht aanliet, zei Beth, “Doe het licht maar uit mamma. Ik ben niet bang meer voor het donker.” Haar angsten waren weg.

De hele ervaring had een diepe indruk op haar gemaakt en op zekere dag zei ze tegen haar moeder: “Mamma…ik weet nu zeker dat die man die naar mij toekwam in het ziekenhuis Jezus was. Hij was bij me zoals jij altijd al zei.”

Het leven van Beth veranderde ingrijpend. Ze was blij, opgeruimd en was niet bang meer te krijgen.

“Jezus is bij me,” zei ze steevast en de mensen konden zien dat ze het meende.

En de dingen die ze die nacht gezien had kwamen uit.

Ze trouwde en kreeg een zoon en twee dochters. Ze werd pianolerares en kende vele momenten van vreugde en blijdschap. Maar er was ook pijn toen ze te horen kreeg dat ze Multiple Sclerose had en nog nauwelijks zonder pijn kon lopen. Uiteindelijk kreeg ze op relatief jonge leeftijd een rollator, net zoals ze die nacht gezien had.

Maar het kon haar vreugde over het kennen van de Heer niet wegnemen en ondanks haar pijn is ze vandaag een steun en toeverlaat voor bijna iedereen in haar omgeving. Hoe lang ze nog te leven heeft weet ze niet, maar het maakt haar niet uit. Ze heeft het te druk om zich zorgen te maken en maakt zich alleen druk over de vraag hoe ze anderen het best kan helpen in dit stormachtige leven.

Ze weet tenslotte heel goed wat het is om bang te zijn, maar heeft nu ook het antwoord dat ieder mens nodig heeft: “Jezus staat naast ons en dat staat

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.