Hemelse begeleiding

Door Renee Coy

Ik was juist bezig met het afwassen van de ontbijtbordjes toen de telefoon ging. Het was papa. Zijn stem klonk geforceerd en angstig. ‘Er is iets gebeurd met je moeder,’ zei hij. ‘De ambulance zou hier eigenlijk al moeten zijn.’

Er ging een koude rilling door mij heen. “Ambulance?”

Vader zuchtte. “Ik vond haar op de vloer. Ze is in elkaar gezakt. Kom alsjeblieft zo snel als je kunt.”

De paniek sloeg toe. Ik rende de trap op, schoot in mijn schoenen, stormde weer naar beneden en stapte in de auto. Gelukkig woonden mijn ouders niet ver bij me vandaan en zou het niet lang duren voordat ik bij hen was.

Niet lang daarvoor had mama een ongeluk gehad. Ze was geraakt door de bliksem en eigenlijk was ze sinds die dag nooit meer helemaal dezelfde geweest. Maar dit had ik niet verwacht.

Toen ik aankwam vond ik papa en mama beiden in de gang. Papa was bezig CPR toe te passen en mama lag uitgestrekt op de gangmat met een kussen onder haar hoofd. Papa keek me aan toen ik binnenkwam, ogen vol angst, zijn gezicht wit weggetrokken en het zweet parelde op zijn voorhoofd. Dit was een beeld dat ik nooit zou vergeten.

‘Volhouden mama,’ schreeuwde ik, terwijl ik op mijn knieën viel om papa te helpen met het drukken op haar borst. Een, twee, drie … ik telde, net zoals ik in een levensreddende cursus had geleerd die ik eens op school had gevolgd. Maar zou CPR voldoende zijn om mama te helpen? Ik voelde aan haar pols.

Geen hartslag. ‘O Heer,” bad ik, “help ons, Heer. Alstublieft.”

Terwijl papa bij haar bleef stapte ik naar buiten. Waar bleef die ziekenauto toch? Er was niets te zien, in geen van de richtingen. De straat was leeg.

Ik wilde weer naar binnen gaan toen ik opeens beweging zag. Ik draaide me om en zag een man. Waar kwam die nu vandaan? Zojuist was er niemand geweest. De man liep met bedachtzame stappen, handen op de rug en leek diep in gedachten verzonken. Wat raar. Toen liep hij zonder naar me te kijken aan de overkant langs ons huis en draaide zich bij het huis van de buren weer om en ging weer terug. Zo liep hij nogmaals langs ons huis en keerde bij de overburen opnieuw om. Wie was dat? Ik had die man nog nooit gezien. En waarom deed hij zo raar?

Papa vanuit de gang: “Het heeft geen zin. Het lukt niet.” Ik rende weer naar binnen, maar kon de man door de deuropening nog steeds zien lopen. Het leek haast alsof hij ergens op wachtte.

Toen hoorde ik de sirene van de ambulance. De ambulance stopte met gierende banden en de zwaailichten aan voor ons huis en een tweetal mensen van de eerste hulp sprong er uit.

“We hebben zuurstof nodig! Ze ademt niet!” riep ik. De mannen knikten en pakten wat ze nodig hadden. Papa en ik stapten bij mama weg. Alles wat ik nu kon doen was bidden.

Ik boog mijn hoofd en bad harder dan ik ooit had gedaan. Toen ik mijn ogen weer opende, keek ik door de open voordeur naar buiten… die man liep nog steeds heen en weer. Zijn handen stevig op zijn rug geklemd en zijn hoofd gebogen.

Er was niemand te zien. Toen ik die nacht over het hele voorval nadacht werd ik vervuld met een prachtig gevoel van vrede. Dit was geen mens geweest, maar een engel van God. Geen genezende engel, gestuurd om mama’s leven te redden, of een engel die met het duister moest vechten, waarover ik in de Bijbel had gelezen. Dit was een ander soort engel. Een engel wiens taak het was om mama te begeleiden naar haar nieuwe huis in de hemel. Dank U Heer, dat U mij dat heeft laten zien

Hij droeg een ruim vallende, bruine broek en eenvoudige sandalen. Zo vreemd. Hij paste helemaal niet in het plaatje van onze stad. Maar de eerste hulp nam mijn aandacht in beslag en ik dacht niet meer aan de man. “O, God… doe toch iets. Alstublieft.”

De muurklok tikte de seconden af terwijl de eerste hulp mensen mama zuurstof bleven geven, maar het mocht niet baten. Er was geen verandering. Een van hen nam haar pols nog eenmaal in zijn hand maar toen keek hij naar me en zei met een droevige blik: “Ze is gestorven. Het is voorbij.”

Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht en weende zacht. Een paar minuten later begonnen de eerste hulp mannen om mama af te voeren. Tante en oom waren inmiddels ook gearriveerd en probeerden papa en mij zo goed mogelijk te troosten, maar wat konden zij voor mij doen? Mama was weg. Hoe kon dit gebeuren? Het leek meer op een boze droom. Ik had God toch gevraagd om te helpen, maar dat had niet geholpen. Mama was weg.

Tante Leila kwam naast me staan en gaf me een knuffel. Ik voelde het nauwelijks. Toen vroeg ze me: “Wie is die man eigenlijk?” Ze wees naar de vreemde man die nog steeds heen en weer liep op onze straat.

Op dat moment stond hij stil, maar toen stapte hij recht op mij af. Hoewel zijn uiterlijk kalm en haast rustgevend was, leek het wel alsof de lucht om hem heen vol energie was. Nu zag ik ook dat zijn kleding schitterde met een buitengewone glans.

“Het spijt me van je moeder,” zei hij met een diepe stem, terwijl hij me in de ogen keek met warme, vriendelijke ogen. Terwijl hij zo naar me staarde golfde er een ongekend gevoel van vrede door me heen. Toen, zonder reden, draaide hij zich weer om en stapte zonder te kijken de straat op. Er was geen verkeer.

‘Wie was dat?’ vroeg tante Leila opnieuw.

‘Ik weet het niet.’ Ik staarde mijn tante verbaasd aan. Hoe wist die man over mijn moeder? Niemand had hem eerder gezien en wij kenden iedereen in de buurt. Ik moest het weten, dus ik keek om en wilde achter de man aanrennen.

 

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.