God leidt een beschermd leventje

Auteur onbekend

Miljoenen mensen stonden verspreid op een grote vlakte voor de troon van God. Dicht bij de troon werd heftig gediscussieerd. Zo vlak voor de troon van God zou je respect verwachten, maar de mensen waren hard en agressief.

“Hoe kan God nou over ons oordelen?” riep iemand uit.

“Wat weet Hij nou van pijn en verdriet?” snauwde een oude vrouw. Ze stroopte obstinaat een mouw van haar blouse op en toonde iedereen het nummer van een concentratiekamp dat op haar arm stond getatoeëerd. “Ik weet pas wat lijden is. Ik heb angst meegemaakt, martelingen en uiteindelijk de dood.”

In een ander groepje knoopte een vroegere slaaf zijn boordje los en zei opruiend: “Anders moet je dit eens zien.” Om zijn nek kon je de striemen van een touw nog goed zien. “Opgehangen ben ik. Ik had niet eens wat gedaan. Ik was zwart! Dat was alles. Wij zijn bij onze geliefden vandaan geroofd, opgesloten, bijna gestikt in slavenschepen en als dieren te werk gesteld. Alleen de dood kon ons verlichting brengen.”

Waar je maar keek over die eindeloze vlakte, kon je soortgelijke verhalen horen en werd God beschuldigd van al het kwaad en al het lijden in de wereld. Hij had er tenslotte niets aan gedaan.

Gelukkig maar voor God dat Hij ver weg in de hemel woonde, waar men geen angst of tranen kende en waar niemand honger had en een ander haatte.

Waar of niet? God kende al die ellende niet. En zo werd er gezegd: “God…? Die leeft in Zijn ivoren toren!”

Dus besloot iedere groep een vertegenwoordiger naar God te sturen. Iemand van de groep die misschien wel het meest geleden had en daar met God eens een hartig woordje over kon spreken.

Ze verzamelden zich in het midden van de vlakte. Er stond een Jood bij en een zwarte man uit Afrika. Een paria uit India en een illegaal. Een slachtoffer van het bombardement op Hiroshima en een gevangene uit Siberië. En zo ging het maar door.

Ze waren druk aan het beraadslagen wat ze God het beste konden vertellen en uiteindelijk waren ze eenstemmig tot een besluit gekomen. Het was eigenlijk heel eenvoudig. Voordat God hun rechter mocht zijn, zou Hij zelf alles moeten doorstaan wat zij op aarde hadden meegemaakt. Dus besloten ze dat God naar de Aarde moest worden gestuurd om daar als mens te leven. Maar er moesten natuurlijk wel bepaalde regels in acht genomen worden, want tenslotte was Hij God en het zou wel erg gemakkelijk zijn als Hij Zijn almachtige kracht zou aanwenden om er tussenuit te knijpen als het allemaal te zwaar zou worden. Zijn macht zou Hij dus niet mogen gebruiken. En zo kwamen ze bij de troon van God en spraken ze hun vonnis uit.

“Hij moet als een Jood geboren worden.”

“Er moet een smet op zijn geboorte rusten, zodat niemand precies kan zeggen wie zijn vader was.”

“Hij moet vechten voor de zuiverste en rechtvaardigste zaken, maar juist daardoor zal hij zich de woede en de haat van anderen op de hals halen en zullen de leiders van alle gevestigde religies hem uit de weg proberen te ruimen.”

“Niemand weet wie God eigenlijk is, dus laat Hem dat maar eens proberen uit te leggen.”

“Een van zijn eigen vrienden moet Hem verraden.”

“Daarna moet Hij valselijk worden beschuldigd en berecht worden door een bevooroordeelde jury en uiteindelijk moet een slapjanus van een rechter zijn vonnis uitspreken.”

“Hij zal diepe eenzaamheid moeten voelen. Verlaten en verstoten door iedereen en alles. Hij moet gemarteld worden en moet uiteindelijk op een gruwelijke manier sterven te midden van een stelletje boeven.”

Terwijl de woordvoerder van elke groep zijn wensen kenbaar maakte ging er een goedkeurend gemompel op uit de monden van de grote menigte die zich voor de troon van God had verdrongen.

De laatste woordvoerder had gesproken en toen werd het opeens doodstil. Je kon een speld horen vallen en niemand zei meer iets, want opeens… zomaar opeens drong het tot iedereen door dat God dit allang gedaan had.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.