Gedachten over vrees 2

Het is bekend dat Nikita Chroesjtsjov, toen hij de regeringsleider van de toenmalige Sovjet Unie was, zijn afkeer over de misdaden en wetten van Joseph Stalin niet onder stoelen of banken stak. Eens werd hij tijdens zo’n redevoering onderbroken door iemand uit het publiek die hem toeschreeuwde dat hij, Chroesjtsjov geen recht van spreken had, want hij was tenslotte een medewerker van Stalin geweest. “Als je het dan zo goed wist, waarom hield je hem dan niet tegen?” slingerde de man zijn verwijt naar hem toe. “Wie zei dat?” brulde Chroesjtsjov direct. Er volgde een ijzingwekkende stilte en iedereen versteende. Toen zei de Russische leider zacht: “Nu weet je waarom.”

Soms brengt de Heer de storm tot rust. Maar soms kiest Hij ervoor om de storm zijn gang te laten gaan en brengt Hij rust in het angstige hart van Zijn kind.

Tussen 1875 en 1883 werd de postkoets van Wells Fargo geterroriseerd door een angstaanjagende boef met de naam Black Bart. Black Bart beroofde zoveel mensen dat zijn naam in één mond genoemd werd met de gevaren van de Frontier. Hij maakte zich meester van bijna 30 postkoetsen en mensen durfden uit angst nauwelijks nog met de postkoets mee te reizen. Toch was Black Bart lang zo beangstigend niet als men wel dacht. Bij al zijn misdaden werd niemand gewond, vuurde hij nooit een schot, gijzelde hij niemand en werd hij nooit achtervolgd door een Sheriff. De kracht van Black Bart lag verscholen in de verlammende angst die hij anderen inboezemde. Hij droeg een kap zodat niemand ooit zijn gezicht heeft gezien en zijn sinistere voorkomen werkte zo afschrikwekkend dat mensen zich al overgaven voordat hij zijn mond had open gedaan. Eigenlijk was hij niets anders dan een volleerde, professionele bluffer die precies wist waar de zwakke plekken van de mens lagen. Klinkt bekend? Zou hij misschien bij Satan zelf in de leer zijn geweest?

Eens op een warme zomeravond begon het te onweren en Mamma stopte haar zoontje veilig in. Maar dat was niet genoeg, want toen Mamma het licht uitdeed zei hij met een huilerig stemmetje: “Mamma… ik ben bang voor het onweer. Kun je vannacht bij me slapen?” Mamma glimlachte en antwoordde dat dit niet zou gaan. “Het spijt me lieverd. Ik moet vannacht bij Pappa slapen.” Het bleef een heleboel seconden doodstil. Toen sprak het zoontje: “Wat een slappeling.”

Een predikant zei over angst eens het volgende: “Een door de wol geverfde vogel maalt niet om een vogelverschrikker. Zo’n vogel weet heel goed dat een vogelverschrikker juist een advertentie is waar in staat: ‘Hier ligt lekker spul, waar je je te goed aan kunt doen.’ Ook geestelijk staan er overal vogelverschrikkers, dus als ik slim ben ga ik zo’n angstaanjagende verschijning zien als een advertentie dat er wat goeds te halen valt. Elke reus op mijn levenspad die me angst inboezemt is niets anders dan een vogelverschrikker die me naar Gods grootste en beste zegeningen leidt.

Geloof is een vogel die graag neerdaalt op een vogelverschrikker om eens goed uit te zoeken waar de beste zaadjes liggen. Onze angsten gezien in het licht van God zijn ongegrond.”

C.S. Lewis schrijft in de verhalen van Narnia over het moment dat de twee meisjes Susan en Lucy de leeuw Aslan gaan ontmoeten. De ontmoeting met Aslan, die in de boeken de persoon van Jezus vertegenwoordigt, wordt voorbereid door twee pratende bevers en dat gaat ongeveer op de volgende manier: “Jeetje,” zei Susan. “Ik dacht dat Aslan een man was. Is dat wel veilig? Ik ben best wel bang om een leeuw te ontmoeten.”

“Dat is heel gewoon, meissie,” antwoordde mevrouw Bever. “Vergis je niet. Als er iemand voor Aslan verschijnt zonder dat zijn knieën beginnen te knikken is hij de dapperste persoon ooit, of de stomste. Een van de twee.”
“Dus het is niet veilig?” Lucy was niet helemaal zeker of ze Aslan wel wilde ontmoeten.
“Veilig?” zei Mijnheer Bever. “Heb je niet geluisterd naar wat Mevrouw Bever zei? Wie heeft het nou over veilig? Natuurlijk is het niet ‘veilig’ om Aslan te ontmoeten. Maar hij is goed. Daar gaat het om, en hij is de Koning.”

Eens, jaren geleden, was de koning van Hongarije verward, ongelukkig en gedeprimeerd. Hij vroeg zijn broer, de prins, om raad. De man was een jonge knul die graag naar de zonnige kant van het leven keek, en zich liever nergens druk over maakte.
De koning zei tegen hem: “Ik heb hulp nodig. Ik ga een keer dood en dan kom ik voor God te staan. Daar ben ik bang voor, want ik ben geen goed mens. Wat zeg jij daarover?” Maar de prins haalde zijn schouders op en maakte zich er grinnikend met een grapje van af. “God? Wie heeft het daar nu over. Jij bent de koning dus je hebt alles wat je nodig hebt. Schenk me liever nog eens wat van die lekkere wijn van je in.”
De koning, die een diep Godsbesef had, wond zich op over de houding van zijn broer en besloot hem een lesje te leren.
In die tijd werden misdadigers zonder pardon geëxecuteerd. In zo’n geval werd er door de koning een trompettist naar de veroordeelde man gestuurd die een uur voor de executie op zijn instrument moest blazen om de veroordeelde te laten weten dat hij binnen een uur zou sterven. Dus stuurde de koning ook zo’n boodschapper naar de prins. Toen de prins het geluid van de trompet hoorde sprong hij uit bed en werd met een bleek gezicht en bibberend van angst voor de koning gebracht, voor wie hij huilend op de knieën viel en om genade begon te smeken.
“Mijn broer,” zei de koning, “als je al zo bang bent voor mij en het oordeel dat ik, slechts een mens, over je uitspreek, zou ik me dan niet goed moeten voorbereiden op mijn ontmoeting met de Schepper, die rechtvaardig is. Jij en ik hebben allebei zoveel gedaan wat in Zijn ogen niet door de beugel kan… en daarom vroeg ik jou om raad. Misschien begrijp je nu beter waar ik mee worstel.”

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.