Een vroege dood

Rechtvaardige mensen verdwijnen, de vromen sterven te vroeg, maar niemand schijnt zich er iets van aan te trekken of zich af te vragen waarom dat gebeurt. Niemand schijnt te beseffen dat God hen wegneemt voordat de kwade dagen komen.
-Jesaja 57:1

Wellicht zijn er maar weinig nachten nog donkerder dan de nacht waarop een klein kind sterft en wordt weggerukt uit dit leven. Wat is er mysterieuzer en onverklaarbaarder dan een vroege dood? De herfst kunnen we begrijpen. Na een weldadige zomer kleuren de bladeren goudgeel en bruin en vallen tenslotte op de zachte aarde. Jonge blaadjes koesterden zich in het voorjaar, werden gestreeld door een zwoele bries en werden daarna gerijpt door de weldadige zomerzon. Maar nu, in de herfst hebben ze hun missie volbracht en worden ze uiteindelijk aangeraakt door de vurige vinger van God.

Maar zo denken we niet als we frisse, jonge twijgjes zien die zijn afgeknapt in een storm en vertrapt in de modder liggen of met hun knopjes wegdrijven op het glinsterende water van een beekje. En dat terwijl er zoveel soortgelijke takken weerstand konden bieden aan de bijtende wind, en in tegenstelling tot dat afgebroken takje, stoer en onbevangen doorgroeiden en in de zomer met hun weelderige gebladerte een podium vormden voor het concert van de zangvogels.

Waarom kon dat takje het leven niet aan? Was dat toeval? Het resultaat misschien van de zinloze maar verwoestende zeis van de dood die willekeurig rond hakte in de vroege dauw van het leven?

De schemering in een leven kunnen we makkelijker begrijpen en zelfs aanvaarden. De dag is voorbij als de zon met haar gouden stralen onder gaat, maar de zonsverduistering die het land direct na het ochtendgloren in het duister stort is een onaangenaam fenomeen. Durven we ook dan te vertrouwen en te zoeken naar de dauwdruppels van troost die op de vertrapte bladeren zijn blijven hangen?

Houd vol, o treurend hart. Zoek naar het geloof, want er is troost en hoop. Te midden van de gebroken hoop, de verbrijzelde wrakken, de verdwenen zon en de onvervulde idealen van het leven staat God nog altijd klaar.

Soms zijn de nacht en het duister zo diep. Het is nacht in de woestijn en nacht in het leven. Maar dan, hoog aan de hemel, straalt het licht van de Morgenster. God, die het soms toelaat dat wij door het duister lijken te worden opgeslokt laat ons Zijn aanwezigheid zien en spreekt de woorden van hoop. “Vrees niet, want Ik ben met je.”

En dat kindje? Dat weggerukte leventje?

Woorden schieten tekort en wie durft te beweren dat hij het antwoord kent? Maar de Bijbel laat Gods licht schijnen op een mogelijkheid die wij alleen in de eeuwigheid ten volle kunnen begrijpen. Klaarblijkelijk neemt God soms geliefden weg voordat de kwade dagen komen.

Wie behalve God kent de toekomst? Wij zien met onze aardse ogen en begrijpen niet waarom zo’n kostbaar leven moest worden weggerukt. Weg is de belofte die nooit vervuld werd, maar door de wrede dood werd opgeëist.

Maar God, de Almachtige en Alwetende God, ziet iets anders. Hij nam dat jonge leven voordat de kwade dagen kwamen. Terwijl onze ogen niets anders zagen dan een geruisloze toekomst, meren met stille wateren nauwelijks beroerd door de wind der tegenslag, zag God de scherpe rotsen in een woeste genadeloze stroom die naar een schuimende afgrond voerde. Voor God was zijn missie geen lang leven vol aards genoegen, maar een kortstondig verblijf in een wereld van pijn en zorg die slechts verondersteld was het voorportaal van de hemel te zijn.

O gebroken hart, blijf niet hangen in je verlies maar vertrouw op God en wees blij en dankbaar dat je geliefde de storm en het kwaad dat hem of haar te wachten stond niet hoeft te verduren. Rust in de armen van je liefhebbende Vader.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.