Samaritaan in de supermarkt

Door Marion Bond West

“Bah!” dacht ik. “Waarom doet niemand iets aan dat kind?” Ik liep er opzettelijk langzaam langs, ik keek openlijk vol afschuw naar de troep die hij had gemaakt bij de ingang van de winkel waar ik brood wilde kopen.

Er droop chocolade-ijs langs zijn armen dat doorliep naar zijn knieën. Zijn kleren zaten er vol mee. Naast hem op de warme tegels van de vloer lagen de uitgesmeerde resten van gesmolten ijs. De chocola kleefde zelfs aan zijn blonde haar.

Ik kocht gauw mijn brood maar ik kon dat joch niet zomaar vergeten. Ik was verstoord omdat hij daar maar zat, met ijs druipend aan alle kanten. Waar was zijn moeder? Iemand moest toch voor dat kind zorgen!

Er sprak een stemmetje in mijn binnenste: “Waarom help jij hem niet?”

Maar ik luisterde liever niet naar dat idee. Ik had thuis twee jongens, en daar had ik al genoeg mee te stellen elke dag. Dit kind viel niet onder mijn verantwoordelijkheden!

Op dat moment kwam er een vrachtwagenchauffeur de winkel in. Ik zag hem omdat hij zo’n fel gekleurd hemd aan had. Nadat hij zijn spullen had afgeleverd, vroeg hij de kassière om een papieren handdoekje. Ik begreep direct waar hij dat voor nodig had. Opeens wenste ik dat ik om dat handdoekje had gevraagd. Ik vroeg me af hoeveel andere mensen langs het jongetje waren gelopen. Net als ik, met afkeurende blikken, zonder iets te doen.

De vrachtwagenchauffeur ging weer naar buiten. Hij hurkte neer bij het kind en veegde zachtjes, bijna speels, het gezicht en de handjes van het kind af. Hij praatte tegen het jongetje op een vriendelijke manier en het knaapje glimlachte met een blije, kleverige glimlach.

De man kreeg hem niet helemaal schoon. Een moeder had dat beter gedaan. Die had dat doekje eerst nat gemaakt en had hard geboend om hem schoon te krijgen. Dus ik was even blij voor het ventje dat het geen moeder was geweest die zich voor hem had ingezet, maar een vrachtwagenchauffeur. De man maakte er geen drukte over. Hij gooide het papieren handdoekje in een prullenbak, klom weer in zijn vrachtwagen, zwaaide, toeterde en reed weg.

Toen ik vertrok met mijn brood keek ik weer naar het kind. Hij was nog steeds een beetje kleverig, maar toen hij naar me glimlachte, glimlachte ik terug en ik zei: “Hoi!”

Zo nam ik meer mee uit dat winkelcentrum dan alleen dat brood.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.