Grootvaders glimlach

Door Joyce Hancock Suttin

Daar lag hij, tussen de witte ziekenhuislakens, bevestigd aan een wirwar van slangetjes en draadjes. Ik herkende hem nauwelijks. Bleek weggetrokken en met diep ingevallen wangen. Maar toen deed hij zijn ogen open en glimlachte hij naar mij. Ik moest me bedwingen om niet in zijn armen te springen zoals ik vroeger altijd gedaan had. Grootvader, van wie ik meer hield dan van enig ander persoon ter wereld, had een ernstige hartaanval gehad.

Hij was altijd mijn beste vriend geweest. Mijn vertrouwens- en raadspersoon als ik problemen had met mijn vrienden of broers en zusjes. Ik was slungelig, verlegen en onzeker. Dat kwam waarschijnlijk doordat ik de jongste was in het gezin, maar grootvader had me altijd op het juiste moment een zetje in de goede richting gegeven. Wanneer ik een speelkameraad nodig had dan wist ik waar ik die kon vinden; als ik een schouder nodig had om op uit te huilen dan was die van grootvader altijd binnen bereik. Als hij zijn armen om me heen sloeg dan was ik op het warmste, veiligste plekje ter aarde! Hij gaf me ook weleens een standje, maar ofschoon hij streng was, was hij altijd heel liefdevol. Dat raakte me altijd diep in mijn hart en dan wilde ik het heel graag beter doen. Hij bad ook veel en herinnerde me er altijd aan dat gebed de beste manier was om iets gedaan te krijgen.

Ik was 14, juist op het moment dat ik mijn kindertijd achter me begon te laten, toen we naar het ziekenhuis geroepen werden. We mochten een voor een bij grootvader komen, beginnend bij de oudste tot aan de jongste. Dan konden wij hem nog even zien. Toen het mijn beurt was en ik binnenkwam glimlachte hij breed en begroette me op een opgewekte toon. Hij pakte mijn hand. “Joyce, jij bent altijd mijn favoriete kleinkind geweest. Ik weet dat het je soms moeite kost om je plaats te vinden. Je hebt vaak het gevoel dat je niet weet wat je moet doen en je maakt je zorgen dat er niet veel van je terecht zal komen. Maar ik weet dat God van je houdt en dat Hij een bijzondere bestemming voor je heeft in dit leven.”

Mijn moeder raakte mijn schouder zachtjes aan en leidde me de kamer weer uit. “Grootvader is moe en moet nu rusten,” zei ze.

Een paar dagen later zag ik hem voor het laatst. Deze keer had hij zijn nette pak aan en hij lag in een kist. De geur van de grote hoeveelheid bloemen was haast overweldigend. Ik stond nog even bij hem. Zijn stralende blauwe ogen gingen nu niet open. Eerst was ik bang en beefde ik van emotie terwijl ik naar hem toeliep, maar toen ik naar zijn gezicht keek voelde ik rust. Uit zijn stralende glimlach kon ik aflezen dat alles in orde was. Grootvader was net zo gestorven als hij geleefd had; met een glimlach.

De mensen praatten nog dagenlang over grootvaders glimlach. De begrafenisondernemer had nog tevergeefs geprobeerd om grootvaders gezichtsuitdrukking te veranderen, omdat hij nog nooit zoiets gezien had en het een beetje eng vond. Grootvader liet ons naar aardse begrippen niet veel na; zijn laatste wil en testament was de vredige glimlach op zijn gezicht.

Mijn familie ging in die tijd altijd naar hetzelfde kerkje in een boerendorpje. Zo klein dat het niet eens op de kaart staat. En toen grootvader nog leefde sloeg hij nooit een zondag over. Maar hij kwam wel elke zondag steevast minstens 20 minuten te laat. Dan had hij zo’n 30 kinderen bij zich. Die had hij opgehaald voor de dienst. Hij vond dat hij de kinderen van arme gezinnen die in de heuvels woonden moest ophalen en naar de kerk moest brengen. Dat voelde hij als zijn plicht. Zijn bediening.

Jaren later, in een bank in een stadje in de buurt hoorde een jonge zakenman mijn vader zijn naam uitspreken.

“Hancock?” vroeg de jonge man. “Ben jij misschien familie van Ed Hancock?” Hij legde uit dat mijn grootvader hem altijd mee naar de kerk had gesleept toen hij nog een jongetje was.

“Dat was aardig van hem,” zei de jonge man tegen mijn vader. “Maar mijn leven veranderde pas echt toen hij tegen me zei: ‘Ik weet dat je uit een arm gezin komt en dat je soms bang bent dat er niet veel van je terecht zal komen, maar ik weet dat God van je houdt en dat Hij een bijzonder plan heeft voor je leven.'”

Tijdens mijn studiejaren heb ik veel te maken gehad met atheïstische professoren en sceptische vrienden. Ik worstelde toen met mijn geloof en ik wist soms niet meer wat ik nou eigenlijk geloofde. Maar zelfs toen ik op het dieptepunt gekomen was bleef de herinnering aan mijn grootvaders glimlach en zijn geloof in mij leven. Dat hield me overeind. Als een soort bewijs voor het bestaan van God.

Zesendertig jaar geleden besloot ik om mijn leven aan God te geven en te zien wat Hij met een onbetekenend iemand als ik kon doen.

Ik heb ondertussen in 10 landen vrijwilligerswerk gedaan, ik heb Gods liefde met anderen gedeeld, ik heb mensen kennis laten maken met Jezus. Ik ben mijn verlegenheid meester geworden, ik heb grote groepen toegesproken, studiegroepen geleid en honderden kinderen, tieners en volwassenen lesgegeven. Ik heb heel veel dingen gedaan die de verlegen, slungelige Joyce Hancock nooit voor mogelijk had gehouden.

Als ik terugdenk aan de gezichten van al die mensen met wie ik gebeden heb om Gods eeuwige geschenk van redding te ontvangen, dan kan ik me geen beter of waardevoller leven indenken. God brengt nog steeds heel bijzondere mensen op mijn pad. Ik zie hun angst en verlegenheid en ik pak hen bij de hand. Zonder erbij na te denken komen de woorden uit mijn mond. “Ik weet dat je soms niet weet wat je moet doen en dat je je zorgen maakt over wat er van je zal worden, maar God houdt van je en Hij heeft een bijzonder plan voor je leven.”

“De mensen vergeten weleens wat je gezegd hebt, maar ze vergeten nooit wat voor gevoel je hen gegeven hebt.”
Carl W. Buechner

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.