Bij Mij in de gevangenis

Mattheüs 25:36
Door Jim Brissey

In de afgelopen twintig jaar heb ik nogal wat gevangenissen bezocht. Ik heb er gepreekt, gevangenen bezocht en geprobeerd een steun te zijn voor zowel de gevangenen als de cipiers, maar nooit heb ik Gods genade op zo’n prachtige wijze ervaren als die dag dat ik de ter dood veroordeelde Lucky (Lloyd Duest) bezocht in de Raiford gevangenis in Florida.

Lucky heeft zevenentwintig jaar in zijn dodencel gezeten, en de laatste drie jaar heb ik hem mogen leren kennen. Lucky was geen Christen toen hij ter dood werd veroordeeld, maar in de gevangenis kwam hij tot het geloof en werd hij wat je zou kunnen zeggen, ‘aangeraakt door God.’ Zijn geloof, optimisme en medeleven met anderen schijnt als een kaars in een inktzwarte duisternis.

Dat medeleven heeft ook mij geraakt. Zijn zonden, die hem in de dodencel van 2 bij 3 meter hebben laten belanden, zijn hem vergeven en die overtuiging straalt van hem af. Zo is Lucky ook voor mij meer dan eens een voorbeeld geweest. Zoals die keer, een paar jaar geleden, toen ik gefrustreerd probeerde om geld in te zamelen voor een groot daklozencentrum in Daytona en toen een envelop ontving vanuit de gevangenis. De brief was van Lucky en bevatte een donatie van $100 voor het centrum.

Of die brief die ik vorig jaar van hem kreeg, waarin hij schreef dat zijn kanker terug was gekomen, maar waarin hij slechts kon praten over de goedheid van God en wat een zegen het voor hem was dat hij God mocht kennen.

Vorige maand nog kreeg ik een cheque voor $200 van Lucky voor de bouw van een missieziekenhuis in Honduras… Een geweldige gift, zeker voor iemand die in de dodencel zit, maar die gift werd wel heel bijzonder toen ik uitvond dat de dokter twee weken eerder zijn galblaas had verwijderd.

Ik had het verschrikkelijk druk en wilde al heel lang naar de gevangenis gaan om Lucky persoonlijk te ontmoeten, maar ik bleef het maar uitstellen. Tot op vorige week, toen ik hoorde dat de dokter had gezegd dat Lucky binnenkort zou sterven aan de gevolgen van zijn kanker. Ik hakte de knoop door en ondernam de lange reis naar de gevangenis.

Ik ben in veel gevangenissen geweest, en heb ook vaak met gevangenen gepraat die ter dood veroordeeld waren, maar ik was nog nooit in het ziekenhuis van een gevangenis voor ter dood veroordeelden geweest. Het was erger dan ik me ooit had kunnen voorstellen.

Het was er vuil, donker en verwerpelijk. Het rook er naar een slecht en vervuild bejaardenhuis en behalve een scheef hangend bordje op de poort met het woord ‘ziekenhuis’, was er niets dat ook maar in de verste verte op een ziekenhuis leek.

De verf was afgebladderd, de schimmel zat op de muren en houten, tegen de muur aangeplakte planken bedekten grote scheuren en gaten. Het gevangenispersoneel was luidruchtig en hard en vond mijn bezoek maar niets. Een opzichter maakte cynische opmerkingen en bleef maar zeggen dat hij ‘nodig gered’ moest worden terwijl hij me naar de ziekencel van Lucky leidde.

Uiteindelijk stopte hij voor een zware metalen deur met een klein ruitje. Lucky’s ziekencel. De wacht opende de deur en nadat ik was binnen gegaan nam hij wijdbeens plaats in de deuropening, waar hij bleef staan om de boel goed in de gaten te kunnen houden. Hij bleef voortdurend luid praten met zijn collega’s verderop in de gang en zette zijn walkie-talkie zo luid mogelijk om zo te zorgen voor zo veel mogelijk storing. Waarom hij dat deed weet ik niet. Misschien was het een soort misleid gevoel om zo’n moordenaar als Lucky zijn laatste pleziertje te ontnemen.

Maar Lucky was in de zevende hemel toen hij me zag, en ik was ontdaan toen ik zag hoe blij hij was dat ik was gekomen en ik hem zelfs een omhelzing kon geven. En ondanks de voortdurende storing door de wachten hadden Lucky en ik een geweldige tijd samen.

Lucky liet me zijn voeding-sonde zien en een brief die aan mij geadresseerd was. Het raakte me diep. En toen zaten we als oude schoolvrienden met elkaar te praten. We lazen samen uit de Bijbel en ofschoon het omringende geluid van de gevangenis bijna overweldigend was en ik de Bijbel nog nooit eerder zo luid had voorgelezen zag ik hoe de verzen van Psalm 91 en Openbaring 22, het hoofdstuk over de hemel, Lucky raakten en hem kracht gaven. God was zo dichtbij dat wij Hem haast konden aanraken.

Ik wilde Lucky zo graag iets geven om hem te tonen hoe dankbaar ik was dat ik hem kende, maar de gevangenisregels zijn strict en geen gevangene in een dodencel mag ooit iets ontvangen van een bezoeker. Dus wat kon ik hem nog geven? Toen kreeg ik een idee.

“Lucky,” zei ik, “Ik wil graag een lied zingen ter ere van God, maar ook om jou te inspireren.”
“Laten wij samen zingen,” zei Lucky direct.
Toen begon ik Amazing Grace te zingen, het bekende lied van de ex-slavenhandelaar John Newton. Lucky’s gezicht begon te stralen en hij zong direct mee met een weliswaar verzwakte, hese stem, maar hij zong zo luid als hij maar kon.

Wat er toen gebeurde kan ik haast niet beschrijven. Een geheiligde stilte nam bezit van die verschrikkelijke plaats, een stilte die veel verder reikte dan die kleine ziekenboeg van Lucky. De hele gevangenis werd gevuld met rust en stilte. Alsof ze van hogerhand een bevel hadden gekregen klikten alle zes aanwezige gevangenisbewakers hun walkie-talkies uit en behalve ons gezang zou je een speld hebben kunnen horen vallen.

En het was niet alleen de akoestiek. God zelf nam bezit van de plaats. Terwijl ik het tweede couplet inzette hoorden we opeens een andere stem. Het klonk als de diepe stem van een zwarte gevangene in een andere ziekencel die mee begon te zingen en perfect harmonieerde met wat Lucky en ik aan het zingen waren.

Zelfs nu, terwijl ik er weer aan denk, beginnen de haren op mijn arm weer overeind te staan. Het was hemels en heilig.

Hoe groot is Gods genade?
Toen wij klaar waren keken Lucky en ik elkaar aan. Er stonden tranen in Lucky’s ogen terwijl hij fluisterde: “Wat geweldig… Hoe mooi is God.”

We spraken nog een paar minuten met elkaar en Lucky liet me zijn gebedslijst zien. Daar bovenaan stond mijn naam en de naam van mijn kerk. Daar onder de namen van al mijn familieleden en de ouderlingen van mijn kerk.

Wat had die man in de dodencel allemaal niet bereikt voor God?

Toen was het tijd om te gaan. Wij omhelsden elkaar en namen afscheid.
Ik realiseerde ik me dat het nog steeds doodstil was in de gevangenis. De wachten zeiden niets. Hun walkie-talkies schetterden niet en niemand maakte er nog een cynische, sarcastische opmerking over God.

Op weg naar buiten liepen we langs een drietal gevangenen die ons met een gewijde blik aanstaarden. Toen kwamen we bij de hoofdingang. De wacht die had geschreeuwd dat hij zo nodig gered moest worden keek me aan met een beschaamde blik. Toen zei hij: “Het spijt me, dominee.”
“Wat spijt u?” vroeg ik hem.
“Die troep hier,” antwoordde hij zacht. “Wij moeten het hier nodig eens gaan opruimen.”

Dank U Vader voor Uw grote genade…Dank je Lucky, dat je mij zo veel hebt gegeven.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.