Engelen houden de wacht over ons…

Door Sue Bryson

Mijn man Johnny werd in een ziekenhuis opgenomen in Houston, Texas met twee aneurismen die op zijn hart en ruggengraat drukten. Johnny was bang en onzeker. Er was een kans dat hij door de operatie verlamd zou worden en hij wilde niet verder gaan als een gehandicapte.

We baden voor Gods leiding in de beslissing. Tenslotte vroeg Johnny me om hem even alleen te laten, zodat hij kon nadenken. Ik ging koffie drinken met mijn broer Jack die ook meegekomen was. “Zonder die operatie heeft hij geen jaar meer te leven,” zei ik tegen hem.

Toen Jack en ik een uur later terugkwamen in Johnny’s ziekenkamer lag hij daar in zijn eentje, met een grote glimlach op zijn gezicht. “Jullie moeten haar ook ontmoeten, mijn verpleegster Shu-Lin,” zei hij. “Ze heeft me weten te overtuigen dat ik moet doorzetten met de operatie!”

Shu-Lin had Johnny verzekerd dat hij in goede handen verkeerde en ze had beloofd dat ze voor hem zou bidden. “Maak je geen zorgen,” had ze gezegd. Hoe had zij Johnny het vertrouwen kunnen geven dat de artsen en ik hem niet konden geven? “Dat zul je vanzelf wel begrijpen als je haar glimlach ziet,” zei Johnny.

Later op de middag ontmoetten Jack en ik Shu-Lin. Ze was precies zoals Johnny haar beschreven had; ze had een Aziatisch uiterlijk en een warm, zorgzaam, vriendelijk voorkomen en ze had een stralende glimlach.
Johnny’s zus Jane voegde zich bij ons om samen met ons te wachten tijdens de operatie en we gingen met zijn allen naar de wachtkamer. Shu-Lin vergezelde Johnny naar de operatiekamer. Ze had eigenlijk haar vrije dag, maar ze zei dat ze er graag bij wilde zijn.

Terwijl de operatie aan de gang was kwam ze af en toe naar ons toe, om te vertellen hoe het met Johnny ging. Iedere keer als ze kwam voelden we ons opgelucht en optimistisch. Toen was de operatie voorbij en Shu-Lin kwam naar ons toe om ons het goede nieuws mee te delen, nog voordat de dokter langs geweest was.

Johnny moest vijf dagen in de Intensive Care blijven. Vaak werd hij wakker en merkte dan dat Shu-Lin het zweet van zijn voorhoofd depte of zijn hand vasthield. Toen Johnny buiten gevaar was kwam Shu-Lin afscheid van ons nemen. “Ik moet nu gaan,” zei ze. “Er zijn andere mensen die me nodig hebben.”

De week daarop was Johnny sterk genoeg om naar huis te gaan. We wilden Shu-Lin nog graag even bedanken voor al haar goede zorgen en haar vriendelijkheid. Maar toen ik naar haar informeerde aan de balie keken de dienstdoende verpleegkundigen me stomverbaasd aan: ze hadden nog nooit van haar gehoord. Ik ging naar de administratie-afdeling, vastbesloten om Shu-Lin te vinden. Maar er werd me gezegd dat dit personeelslid niet bestond. Toen besefte ik wat er aan de hand was: Van engelbewaarders wordt geen administratie bijgehouden in ziekenhuizen.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.