De strandloper

Auteur onbekend

Ze was zes jaar toen ik haar voor het eerst op het strand ontmoette. Ik kom hier wel vaker want als het me allemaal wat teveel wordt trek ik me hier graag even terug. Om even uit te waaien en alles te vergeten. Ze was in het zand aan het spelen en had net een zandkasteel gebouwd toen ze opkeek. Haar ogen waren net zo blauw als de zee.
“Hallo”, zei ze.
Ik knikte een beetje, want ik was niet echt in de stemming om me met een klein meisje bezig te houden.
“Ik ben aan het bouwen”, zei ze weer.
“Ja dat kan ik wel zien”, zei ik onge├»nteresseerd. “Wat is het?
“Ik weet niet. Het is gewoon fijn om het zand te voelen.”
“Dat is waar,” dacht ik en ik schopte mijn schoenen uit.
Net op dat moment zweefde er een strandloper voorbij.
“Dat is geluk,” zei het meisje.
“Wat zei je?”
“Dat is geluk. Mamma zegt dat strandlopers vreugde en geluk brengen.”
De vogel was inmiddels achter de wolken verdwenen.
“Tot ziens geluk,” mopperde ik sarcastisch. “Tot ziens geluk en goedemorgen mijnheer pijn.” Ik draaide mij om. Ik was depressief en ontmoedigd. Nee, mijn leven kende geen vreugde en geluk.
“Hoe heet je?” vroeg het meisje weer. Die liet zich niet zomaar uit het veld slaan.
“Rob”, zei ik. “Ik ben Rob Peters.”
“Oh.Ik ben Wendy.”
Toen giechelde ze.
“Je bent wel grappig,” zei ze toen.
Ondanks mijn zelfmedelijden moest ik toch even lachen en liep toen door. Haar zangerige gegiechel werd gedragen op de vleugels van de wind.
“Kom je weer terug, Mijnheer P? Dan hebben we weer een mooie dag,” riep ze me nog na.
Ik was erg druk in de dagen die er op volgden, maar toen ik op een morgen vermoeid mijn handen in het afwaswater liet rusten, dacht ik opeens: “Ik heb een strandloper nodig!” Ik deed mijn jas aan en vertrok naar het strand.
Het was guur maar ik liep stevig door en probeerde tot rust te komen.
Het meisje was ik vergeten, maar opeens stond ze daar weer. Wat een verrassing.
“Hallo, mijnheer P,” zei ze.”Wil je misschien met me spelen?”
“Wat wil je dan doen,” zei ik lichtelijk ge├»rriteerd.
“Ik weet het niet. Jij mag het zeggen.”
“Een rollenspel misschien?”, antwoordde ik een beetje cynisch.
Daar was die zonnige lach weer.”Wat is dat, een rollenspel?”
“Laat maar zitten”, zei ik. “Laten we maar een eindje wandelen.” Het viel me op dat ze er erg bleekjes uit zag.
“Waar woon je eigenlijk?” vroeg ik haar.
“Oh.daar.” Ze wees met haar kleine handje naar wat zomerhuisjes die tegen de duinen stonden aangedrukt.
“Ook raar,” dacht ik. “Wie woont er nou in een zomerhuisje in het midden van de winter.”
“Waar ga je dan naar school?”
“Ik ga niet naar school. Mamma zegt dat we vakantie hebben.” Terwijl we langs het strand liepen kwebbelde ze aan een stuk door, zoals alleen een klein kind dat maar kan, maar mijn gedachten waren er maar half bij. Toen ik tenslotte weer naar huis ging zei Wendy nog dat het weer een hele goeie dag was geweest. Ik was het met haar eens; ik voelde me inderdaad heel wat beter.

Een paar weken later toen ik onder zware druk was komen te staan zocht ik in wanhoop mijn strandje weer op, maar ik had echt geen zin om Wendy te zien. Ik zag een vrouw op het balkonnetje van het strandhuisje zitten, waarschijnlijk haar moeder, en ik vroeg me af of ik haar niet zou moeten vragen om dat bemoeizuchtige kind even thuis te houden. Maar Wendy had me al gezien en toen ze in mijn buurt was gekomen zei ik op harde toon: “Moet je luisteren, ik heb nu echt geen zin om met je te praten. Ik ben liever alleen vandaag.”
Ze zag er vandaag grauw en ziek uit en leek ook wat kortademig.
“Waarom wil je dan alleen zijn?” vroeg ze.
Ik keek haar boos aan en schreeuwde ruw: “Omdat mijn moeder gestorven is!” Terwijl ik het zei dacht ik: “Lieve hemel, waarom zeg ik dit in godsnaam tegen dit kleine kind?”
“Oh”, zei ze zacht.”Dan is dit dus een slechte dag.”
“Ja, zo is dat”, zei ik bot. “En gisteren was het ook een slechte dag, en eergisteren ook en.ach hoepel toch op.”
“Deed het pijn?” wilde Wendy weten.
“Deed wat pijn?” Ik was boos op haar, ik was boos op mijzelf. Wat moest ik nou?
“Nou.toen ze stierf? Deed het pijn?”
“Natuurlijk deed het pijn!” beet ik haar toe en toen draaide ik me om en liep vol zelfmedelijden met lange passen bij haar weg.
Ik ging pas een maand later weer naar het strand, maar Wendy was nergens te zien. Ik voelde me schuldig en was ook beschaamd over de manier waarop ik haar behandeld had en eigenlijk miste ik haar wel. Ik zag het strandhuisje weer en besloot aan te kloppen. De deur werd opengedaan door een jonge vrouw met een door pijn getekend gezicht en goudblond haar.
“Hallo,” zei ik. “Ik ben Rob.Rob Peters. Ik kom hier wel vaker en praat soms met je dochtertje. Maar vandaag zie ik haar niet. Weet U waar ze is?”
“Oh mijnheer Peters. Komt U alstublieft binnen. Wendy had het altijd over U. Ik ben bang dat ze U misschien wel een beetje heeft lastig gevallen.Vergeeft U het haar alstublieft.”
“Natuurlijk heeft ze me niet lastig gevallen. Ze is echt een heel lief kind.” Terwijl ik het zei realiseerde ik me dat ik het echt meende.
“Waar is ze, mevrouw?”
Wendy is vorige week overleden, Mijnheer Peters. Ze had leukemie. Dat heeft ze U misschien niet verteld.”
Het was alsof ik een klap met een hamer kreeg en ik greep mij vast aan een stoel.
“Ze hield zoveel van het strand, dus toen ze vroeg of ze hier nog een tijdje kon wonen kon ik haar dat gewoon niet weigeren. Het leek wel alsof het hier veel beter met haar ging dan in de stad en ze had zoveel “goede dagen”. Zo noemde ze dat.
Maar de afgelopen tijd ging het mis. Ze ging zienderogen achteruit.” Haar stem stokte.”Ze heeft nog iets voor U achtergelaten.Oh waar heb ik dat nu gelaten? Kunt U even wachten, dan zoek ik het op?”
Ik knikte als in een trance terwijl mijn gedachten zich als een wirwar door elkaar wrongen. Kon ik maar iets zeggen tegen deze dappere, lieve vrouw wat haar zou helpen.
Ze kwam weer terug en reikte me een groezelige enveloppe aan. Er stond met grote zware letters met kinderlijke krullen “Mijnheer P” op geschreven. Er zat een tekening in, gemaakt met waskrijt. Een groot geel strand en een diepblauwe zee en een bruine vogel. Onderaan stond heel netjes geschreven: Een strandloper die je geluk brengt . De tranen sprongen in mijn ogen, en mijn hart dat zolang vergeten had hoe het was om lief te hebben, sprong open. Ik nam Wendy’s moeder in mijn armen en huilde.
“Het spijt me zo. Het spijt me zo.” Ik herhaalde het wel tien keer en we huilden samen in elkaars armen.

Die prachtige, kostbare tekening hangt nu in een mooie lijst in de studeerkamer. Zes woorden maar, een woord voor elk jaar van haar leven, woorden die me zoveel geleerd hebben over moed, liefde en onbaatzuchtigheid. Een geschenk van een kind met ogen zo blauw als de zee en met haar als het zand. Dat kind gaf mij het geschenk van de liefde.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.