Twee broers

Toen de vader kwam te overlijden erfden de twee broers het huisje waarin ze waren opgegroeid. Veel was het niet. Een bouwvallig houten optrekje aan de rand van het bos waar niemand eigenlijk nog iets aan had. Maar het land waarop het stond kon vermoedelijk voor een goede prijs verkocht worden en zo kwam het dat beide broers daar op zekere dag samen kwamen om voorbereidingen te treffen voor de sloop. Ze waren er al jaren niet meer geweest, maar toen ze hun ouderlijk huis weer terugzagen werd hun hart overspoeld door oude en vaak dierbare herinneringen. Ofschoon ze altijd erg arm waren geweest, was het in dat eenvoudige huisje altijd warm en veilig geweest. Vader en moeder waren er altijd voor hen geweest.

De oude klok stond nog netjes in de hoek met de afgebladderde verf, en het stoffige schilderijtje van de verloren zoon hing er ook nog. Aan de ruwhouten tafel hadden ze ontelbare gezellige maaltijden gehad, spelletjes gespeeld en het wel en wee van het leven besproken. En daar, alsof iemand die voor hen had klaargelegd, lag de oude gezins-Bijbel. Vader had er iedere avond een stukje uit voorgelezen, en ging dan voor in gebed. Wat een mooie tijden waren dat eigenlijk geweest.

Het gevoel dat er een liefhebbende hemelse Vader was die over hen waakte was altijd zo troostrijk geweest, zo warm en veilig. Op de een of andere manier hadden de broers altijd geweten dat alles goed zou komen. Maar dat gevoel was nu weg. Nu waren er zorgen en de lasten leken soms ondraaglijk en beide broers hadden het idee dat die hemelse Vader niet langer over hun schouders meekeek.

Toen de jongens oud genoeg waren om het huis uit te gaan, en ze zelf de vrijheid hadden gehad om te doen en te laten wat ze wilden, was dat Bijbelgebeuren het eerste slachtoffer van hun nieuwe leven. Voor God en de Bijbel hadden ze nu even geen tijd meer.

De wereld had hen al snel duidelijk gemaakt dat je aan zo’n geloof niet veel hebt. Je moet alles zelf opknappen en niet geloven in dingen die je niet eens kunt zien. Nu wisten ze wel beter, en bovendien was er niemand onder hun nieuwe vrienden die iets met dat geloof op had. Maar toen ze daar die oude Bijbel op tafel zagen stokte de adem hen in de keel.

De jongste zoon streek uiteindelijk eerbiedig met zijn vingers over de oude Bijbel en zei toen: “Wij hebben het nu heel wat beter dan pa het had, maar… wij zijn geen betere mensen.” Zijn broer knikte en zei toen: “Ja, je hebt helemaal gelijk. Ik ga terug naar de oude weg, naar de eeuwenoude weg van het geloof, en in mijn nieuwe huis ga ik ruimte maken voor dat prachtige boek.”

De zendeling Paton schreef in zijn biografie de volgende woorden: Geen enkel probleem, geen haastklus of belangrijke zakelijke transactie, geen bezoek van vrienden, kennissen of familie, geen moeilijkheden of verdriet, geen vreugde of opwinding… niets, maar dan ook niets, heeft mijn vader er ooit van weerhouden iedere dag weer opnieuw, en samen met ons voor God neer te knielen en zo zijn leven en dat van ons aan God voor te leggen. Mijn vader,” aldus Paton, “heeft altijd en iedere dag met God gelopen. Waarom zou ik dat dan niet doen?”

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.