Een engel uit de lucht

Barbara was met haar zoontje Ben op weg naar zijn pianoles.Het sneeuwde en het was glad. Ze waren laat, maar door de sneeuw konden ze maar nauwelijks opschieten.Misschien had ze de les maar gewoon moeten afzeggen. Er was thuis tenslotte genoeg te doen en met dit weer zou je zelfs de hond nog niet naar buiten sturen. Bovendien was Barbara moe na haar nachtdienst in de verpleging en kon ze de rust wel gebruiken. Misschien moesten ze maar omkeren.

Maar juist op dat moment schreeuwde de zes jaar oude Ben: “Mamma, kijk nou!”
Er kwam een tegenligger aan, een klein autootje, maar de bestuurder had de macht over het stuur verloren en glibberde vervaarlijk over de weg. Barbara stuurde naar de berm en drukte voorzichtig op de rem. De tegenligger kwam met een geweldige klap tot stilstand tegen een telefoonpaal. Barbara stopte en opende haar portier.

Er was niemand te zien en de stilte was haast overweldigend.
Ik moet helpen…ik ben verpleegster.
Barbara dacht koortsachtig na. Ben moest in de auto blijven. Wie weet wat ze in de auto zou aantreffen. Dat mocht Ben niet zien. “Ben, beloof me dat je heel stil blijft zitten. Ik moet gaan helpen.” Ben knikte stilletjes en Barbara rende op de auto af.

Toen ze de passagiers zag was ze dankbaar dat ze Ben in de auto had gelaten. Er zaten twee jonge meisjes in de auto. Teenagers nog. Het meisje in de stoel naast de bestuurder was met haar hoofd tegen de voorruit geslagen. Ze had geen hartslag meer.

Maar het meisje aan het stuur wel. Ze ademde nog.Barbara wist als verpleegster wat haar te doen stond. Zo goed als ze kon verleende ze de eerste hulp om het meisje in leven te houden tot er een ambulance zou komen.

Inmiddels was er een vrachtauto gestopt en de bestuurder belde de politie. Er kwam hulp. Een paar minuten later verscheen de ambulance.

“Dankzij u zal het vermoedelijk wel goed komen met het meisje,” zei een van de mannen van de ambulance terwijl ze haar voorzichtig op een stretcher in de ambulance plaatsten. Barbara was echter diep bedroefd. Wat een ellende. Het andere meisje was dood. Waarom moest dit nou gebeuren? Die kinderen waren nog zo jong.

Ben zat met grote ogen voor zich uit te staren toen Barbara weer bij hem in de auto stapte.
“Mamma,” stamelde hij terwijl hij nog steeds voor zich uit keek. “Heb jij dat ook gezien?”
Barbara keek hem aan. “Wat, lieverd?”
“De engel,” zei Ben. “Heb je die engel gezien? Hij kwam zomaar opeens uit de lucht, toen jij naar de auto rende. Je moet hem gezien hebben.”
Barbara slikte en schudde haar hoofd. “Nee, Ben. Ik heb niets gezien.”

“Die engel opende de deur van de auto en pakte de hand van een vrouw vast. Toen zweefden ze allebei naar boven. Echt waar, Mamma. Het was zo bijzonder.”
“Welke deur, Ben?” vroeg Barbara.
“Die daar. De deur naast de bestuurder. Toen waren ze weg.”

Bens visioen werd een grote bron van troost voor de familie van het omgekomen meisje. Wat Ben gezien had hielp de rouwende familie om te vertrouwen dat God hen niet verlaten had en dat hun dochter in de hemel was. Haar leven was niet voorbij en ze zouden haar weer zien.

‘Ik geef de doden het leven terug,’ zei Jezus tegen haar. ‘Ik ben Zelf het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, zelfs als hij gestorven is.’ Johannes 11:25

Zoals verteld aan Joan Wester Anderson

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.