Absolute waarheid

Op een universiteit zei een professor voor een schriftelijk examen: “Alle studenten moeten zo gaan zitten dat er niemand naast hen zit. Zo vermijden we de verleiding tot afkijken, zoals er in de Bijbel staat.”
“O ja,” zei een ongelovige student, “en wat als je niet in de Bijbel gelooft?”
“Dan,” zei de professor, “moet je zo gaan zitten dat er twee plaatsen leeg blijven tussen jou en je medestudenten.”

Je hoort het vaak. “God? Daar geloof ik niet in. Een absolute waarheid bestaat niet. Wat goed is voor mij is misschien niet goed voor jou en wat goed is voor jou is voor mij weer niet goed. De mens is vrij om te doen en te laten wat hij wil. Ik heb God echt niet nodig om mij te vertellen hoe het moet en ik heb God niet nodig om goed te zijn!” Klopt deze redenering wel?

Zijn goed en slecht inderdaad subjectief en is alles maar relatief? Is er wel zoiets als een absolute waarheid?

CS Lewis schrijft in zijn boek “Onversneden Christendom” over het bestaan van wat hij noemt de wet van de moraal. Ieder mens, gelovig en ongelovig, is volgens hem aan deze wet onderhevig. Verwacht niet ieder mens tenslotte dat de ander hem “juist” en “rechtvaardig” behandelt? Wat is daar de maatstaf voor? Waar komt dat vandaan? Op het moment dat iemand inbreuk maakt op het rechtvaardigheidsgevoel van een ander heb je de poppen aan het dansen.

Zo schreeuwde iemand eens: “Ik kan doen wat ik wil! Niemand en niets verbiedt het mij. Er is geen God en geen wet. Dat is allemaal maar relatief!” Toen zei iemand anders: “Dan schiet ik je dood!” De eerste man antwoordde boos: “Dat kan je niet maken. Dat is niet goed!” “Natuurlijk wel,” zei de tweede. “Ik kan ook doen wat ik wil, net als jij. En dit wil ik! ‘Goed’ is tenslotte maar relatief.” Een raar verhaal wel, maar het illustreert heel goed dat er zoiets bestaat als een universele wet van de moraal.

Als er een God is dan is het erg logisch dat de mens, die dan door God werd geschapen, een morele verplichting voelt ten aanzien van de wereld om hem heen. Het menselijke bestaan zou erg moeilijk worden zonder deze waarden. Ons hele maatschappelijke systeem is op deze waarden gebouwd. We horen voortdurend over mensenrechten, welzijn en eerlijkheid. Mensen moeten gelijk behandeld worden. Moord en criminaliteit worden veroordeeld, om nog maar niet te spreken over verkrachting, geweld en kindermisbruik.

In feite leggen onze morele waarden de basis voor ons denken en ons gedrag en we verwachten ook dat anderen er net zo over denken. “Maar,” vraag je je misschien af, “wordt het idee van goed en slecht je niet opgelegd door je omgeving? Gaat dat idee van een absolute waarheid niet wat ver?”

Ja, dat gaat ver, en het verwerpen ervan gaat ook erg ver! Hoe ver? Uiteindelijk leidt het verwerpen van een absolute waarheid, en dat is God zelf, tot de dood van de moraal. Het leidt naar een situatie waar het onderscheid tussen goed en kwaad niet langer te meten valt.

Maar iemand die luid verkondigt dat er geen absolute waarden bestaan spreekt zichzelf al snel tegen, zoals de man die zei: “Ik weet absoluut zeker dat er niets is wat absoluut is.” Of de mens die zegt: “Vertrouw niemand; alle geloven zijn verkeerd en verrot. Er zijn geen regels!” Als er geen regels zijn, is de stelling dat er geen regels zijn dus ook waardeloos. Als je niemand kunt vertrouwen kun je ook de man niet vertrouwen die zegt dat je niemand kunt vertrouwen, en als je gelooft dat alle geloven verrot en verkeerd zijn, is het geloof van die man dat dus ook.

Is er dan nog wel een wezenlijk verschil tussen Moeder Teresa en Adolf Hitler? Het klinkt heel geleerd en diepzinnig om te zeggen dat alles maar betrekkelijk is en dat jij je niet laat vangen door zo’n vrijheidsbeperkende ideologie, maar filosofisch klopt er geen spaan van.

Er was eens een student in de filosofie die een verhandeling schreef met de titel: “Niets is absoluut. Alles is maar relatief.” De professor schreef op het werkstuk: “Waardeloos. Zwaar onvoldoende!”en schreef er verder op: “Ik hou niet van die zwarte inkt waar je mee geschreven hebt.” De student stormde razend de kamer van de professor binnen en schreeuwde: “Hoe kan dat nou! Ik heb een geweldig stuk werk geleverd. U kunt me niet beoordelen op de kleur van mijn inkt. Ik moet worden beoordeeld op de inhoud!”
De professor antwoordde rustig en zei: “Was dit niet dat werkstuk waarin je schreef dat er niet zoiets bestaat als rechtvaardigheid en eerlijkheid. Dat er geen absolute waarden bestaan en dat alles maar relatief is?”
“Ja natuurlijk,” hijgde de student.
“Goed,” zei de professor weer. “Ik hou niet van zwarte inkt. Je werkstuk blijft dus waardeloos!”

Opeens begreep de student dat het niet mogelijk is om te leven zonder waarden en dat ieder mens; gelovig of ongelovig, ze heeft en ze volgt.

God is de schepper en heeft Zijn wet in onze harten gelegd. Het is dus verstandig om naar Zijn wet, die diep bij ieder mens in het hart staat gegrift, te luisteren.

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.