De ezel van Bethlehem

Een kerstvertelling voor kinderen
Door Jacques Elan. Bewerkt door Koos Stenger

Ik ben maar een eenvoudige ezel, maar ik wil je graag een mooi verhaal vertellen over iets wat er met me gebeurd is. Het gaat over mijn meester en zijn vrouw en een klein baby’tje. Maar laat ik bij het begin beginnen.

Mijn meester zorgt altijd goed voor me en ik draag hem overal heen. Maar erg ver komen we doorgaans niet. Meestal slenteren we door Nazareth, het stadje waar ik woon en moet ik mijn meester helpen met het dragen van hout en dat soort dingen.

Op zekere dag ging hij naar de winkel. Ik mag daar natuurlijk niet naar binnen, dus hij bond mij buiten vast en zei dat ik moest wachten.

Daar stond nog een andere ezel. Het was de ezel van de baas van de winkel en hij was mijn vriend. We noemden hem slaapmuts, want hij hield nergens zoveel van als het doen van een dutje. Dus die dag stond hij ook weer te slapen. Maar toen ik met mijn hoeven in het zand sloeg, opende hij een van zijn ogen.

“Hallo slaapmuts,” zei ik.

“Hallo,” antwoordde de andere ezel. “Jouw meester koopt zeker spulletjes in voor de reis!”

“Ik zou het niet weten,” antwoordde ik eerlijk.

“Ja hoor, vast wel!” antwoordde Slaapmuts.

“De halve stad is al bij mijn meester naar binnen gegaan om spulletjes in te slaan!”

“O ja? Waarom is dat dan?” vroeg ik hem toen.

“Weet ik veel,” geeuwde hij. “Ik heb gehoord dat alle mensen terug moeten naar de stad waar ze geboren zijn om zich daar te laten registreren of zoiets. Mijn meester verdient er in elk geval goed aan, want iedereen koopt proviand!”

Op dat moment kwam er een groep Romeinse soldaten voorbij. Ze zaten op grote, statige paarden. Slaapmuts deed snel zijn ogen dicht want hij hield niet van Romeinen en al helemaal niet van hun paarden. Maar ik keek er aandachtig naar. Wat zouden die paarden veel gezien hebben. Die kwamen misschien wel helemaal uit Rome? En dat was heel heel ver weg. Ik had ook weleens gehoord dat er een nieuwe koning zou komen, een Messias, die de mensen zou bevrijden van de Romeinen. Ik had gehoord dat die ook op een machtig paard zou zitten, een paard net zo stoer als die van de Romeinen en misschien nog wel beter. Er zouden natuurlijk ook soldaten achter hem aan rijden, ook op paarden. Ik kon me al helemaal voorstellen dat ik mee mocht rijden in de stoet van de nieuwe koning. Zou het niet mooi zijn als er zo’n soldaat van de Messias op mijn rug zou kunnen zitten?

Maar toen zag ik mijn eigen weerspiegeling weer in mijn drinkbak en realiseerde ik me met een schok dat soldaten natuurlijk niet op ezeltjes rijden. Ik was even vergeten dat ik geen stoer paard was. Nee, zoiets zou mij niet gebeuren.

Toen de Romeinse soldaten voorbij waren deed Slaapmuts snel zijn ogen weer open.

“Waar denk je dat die paarden vandaan komen?” vroeg ik hem. “Komen die echt uit Rome?”

“Weet ik veel,” sprak de slaperige ezel weer. “Zou best kunnen.”

“Stel je voor,” zei ik weer. “Ik ga nooit verder dan de waterput. Wat moet het mooi zijn om te reizen!”

“Nou,” zei Slaapmuts weer, “als je meester zich ergens anders moet laten registreren, zul je binnenkort wel verder gaan dan de waterput!” En toen viel hij weer in slaap.

 

De volgende dag leek hij gelijk te krijgen. Mijn meester kwam al vroeg de stal binnen en legde een dekentje over mijn rug. Toen leidde hij me naar buiten waar zijn vrouw al klaar stond . Zijn vrouw was altijd erg vriendelijk voor mij. Ze wreef me over mijn lange neus en zei zacht: “Dank je wel, lief ezeltje!” Waarom ze dat zei weet ik niet, maar het klonk wel lief! Toen hielp de meester zijn vrouw om op mijn rug te klimmen en gooide hij er ook nog een paar zakken met proviand bij en begonnen we te lopen.

Daar gingen we. Zomaar weg uit Nazereth. Daar was de waterput, maar we stopten er niet. We liepen zomaar de wijde wereld in. De vrouw van mijn meester was hoogzwanger, maar voor mij was het dragen van dat kostbare vrachtje een peulenschil. Ik was wel zwaardere dingen gewend.

En zo liepen we dagenlang door dalen en velden.  Prachtig gewoon. Mijn vriend Slaapmuts had gelijk gekregen.

En eindelijk kwamen we aan in een grote stad. Dat was Bethlehem. Ik was nu toch wel erg moe geworden en verlangde er naar om lekker te rusten en een grote bak voer te eten, maar dat bleek nog niet zo makkelijk. Er was nergens plaats voor ons om te rusten. Het was er zo druk, zo verschrikkelijk druk. Overal waar mijn meester aanklopte werd hem verteld dat er geen plaats voor ons was. En dan moesten we weer verder. Ik sjokte nu vermoeid door de straten, maar ik denk dat de vrouw van de meester nog vermoeider was dan ikzelf. Soms kreunde ze zelfs. Ze zou de baby toch niet krijgen? Wat moesten we nou beginnen? Sommige hotelbazen waren zelfs onbeschoft en lachten ons uit. Er was nergens plaats.

Maar toen was er toch een eenvoudige herbergier die wat aardiger leek. Hij keek naar de grote buik van de vrouw van de meester en zei toen aarzelend: “Ik heb geen plaats in mijn herberg, maar ik heb wel een droge stal. Daar is het warm en veilig, en die kun je voor het moment wel gebruiken.” Ik kon mijn oren niet geloven. Een stal? Een droge, warme en veilige stal? Daar zou ook wel iets te eten en te drinken zijn. Maar zou een stal goed zijn voor mijn meester en zijn vrouw? Een stal is toch zeker geen plaats voor mensen? Maar mijn meester leek opgelucht en hij zei: “Dank u beste vriend. Daar ben ik heel gelukkig mee, want wij zijn moe en mijn vrouw krijgt een baby!”

Toen we in de stal kwamen werd ik direct begroet door een paar koeien. Die waren wel aardig en zeiden dat ik wel wat van hun stro mocht eten. En toen mijn buikje gevuld was, viel ik direct in slaap.

Maar opeens werd ik wakker. Wat hoorde ik daar? Was dat het geschrei van een baby’tje? Ik opende mijn ogen en keek om me heen. Was het kindje van de vrouw van de meester geboren? En ja hoor, daar in haar armen lag het liefste baby’tje dat ik ooit gezien heb. Het kindje was gewikkeld in doeken en het leek wel alsof er licht van hem afstraalde. Wat een prachtig gezicht. De koeien loeiden en het paard hinnikte en toen wilde ik ook opeens gaan balken. Opeens ging de staldeur open en kwamen er herders binnen. “Wat gebeurt er toch?” vroeg ik aan de koe. “Wat komen die hier doen? Was er voor hen ook geen plaats in de herberg?”

“Welnee,” loeide de koe. “Herders slapen niet in een herberg. Die slapen buiten op een heuvel en waken over hun schaapjes. Maar luister… ze zeggen dat ze engelen gezien hebben. Engelen die een prachtig lied zongen en hen vertelde dat de Messias geboren is. Daarom zijn ze hier, om het kindje te begroeten.”

“Ja,” blaatte een klein lammetje dat zijn kopje onder de arm van een van de herders uitstak. “Het was zo’n mooi lied. We werden er allemaal helemaal blij van! Toen zei een van de engelen dat wij naar dit stalletje moesten komen.”

“Wat een grote eer,” loeide de koe. “Dat de redder, Christus de Heer, in onze stal mocht worden geboren. Wacht maar tot ik dat later aan mijn kleinkinderen vertel!” Toen drong het tot me door wat een groot wonder er was gebeurd. En dat ik de moeder van de Messias had mogen dragen. Ik werd er opeens helemaal warm van in mijn ezelshart. Ik, een eenvoudige ezel, had de toekomstige koning gedragen…!

En dat heb ik nog jarenlang mogen doen. Ik ben zelfs mee naar Egypte geweest en heb dingen gezien waar die trotse Romeinse paarden misschien nog wel jaloers op zouden zijn. Eigenlijk gaat het verhaal nog verder.

Het houdt misschien wel nooit op. Mijn vriend Slaapmuts bijvoorbeeld. Die had een zoon en die heeft de Koning jaren later ook nog eens gedragen, maar dat verhaal vertel ik jullie nog wel met Pasen.

Download PDF

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.