Hoe is hij thuis?

Het maakt mij niet uit wat iedereen van die man vindt. Of ze hem nu juichend binnenhalen als een koning, of hem verwensen en hem het liefst met rotte eieren de laan uit zouden willen sturen. Mij maakt het niet uit wat hij gelooft of hoe goed of slecht zijn reputatie is.
Mij gaat het om iets anders.

Het gaat mij er om hoe hij thuis is. Hoe zijn kinderen reageren als hij de sleutel in het slot van de voordeur steekt en weer thuiskomt. Vragen ze zich angstig af wat er die avond nog gaat gebeuren en proberen ze zich stilletjes terug te trekken in de kleinste uithoeken van hun kamer? En zijn vrouw? Probeert ze zenuwachtig een manier te bedenken hoe ze die tien euro van hem los moet krijgen voor de onverwachte boodschappen?

Maar hij gaat toch naar de kerk? Hij zingt toch elke zondag in het koor en is een gerespecteerd lid van de gemeenschap? En al die donaties dan aan die goede doelen?

Mij maakt het niet uit. Daar kijk ik niet naar. Laat mij eerst maar eens zien hoe het er bij hem thuis aan toegaat. Als zijn kinderen blij naar hem toekomen na een lange dag zonder hun vader, en zijn vrouw zich veilig en geborgen voelt als hij haar weer in zijn armen sluit, dan weet ik het wel.
Voor mij maakt het dan niet uit of ze hem bespotten op kantoor en er de raarste praatjes over hem de ronde doen.

Want als hij het thuis voor elkaar krijgt is hij ook in de wereld wie hij beweert te zijn.

3 Vrienden

Onbekend

Een oude Christen lag op sterven en zijn vriend kwam voor de laatste keer bij hem op bezoek.

“Ik heb zojuist nog drie andere bezoekers gehad,” prevelde de stervende man zacht. “Twee daarvan heb ik vaarwel gezegd, maar van de derde kan ik geen afscheid nemen. Die blijft altijd bij me.”

“Wie zijn dat dan?” vroeg de vriend verbaasd.

“De eerste vriend was ‘Geloof’. Ik zei tegen hem: ‘Vaarwel geloof. Ik dank God voor je aanwezigheid vanaf de dag dat ik je leerde kennen. Maar in de plaats waar ik nu heen ga hoef ik niet langer op geloof te wandelen, want daar zal ik zien en heb ik geloof niet meer nodig.’

De tweede vriend was ‘Hoop’. Ik zei: ‘Vaarwel hoop. Jij hebt mij zo goed bijgestaan in de donkerste uren van nood en strijd. Altijd stond je naast me en gaf je me kracht. Maar= waar ik nu heen ga heb ik ook jou niet meer nodig, want hoop verandert in zekerheid. Daar komt alles tot bloei!’

En tenslotte kwam de liefde. ‘Liefde’, zo zei ik, ‘jij bent mijn dierbaarste vriend. Jij was de brug tussen mij en God en tussen mij en mijn naaste. Jij hebt mij altijd getroost en gesterkt op mijn reizen door dit leven en ook nu heb ik je nodig. Je moet met mij meekomen als ik mijn laatste tocht onderneem en door de hemelpoort de stad van God binnenga, want daar wordt de liefde vervolmaakt. Nooit kan ik van jou afscheid nemen!'”

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.